Carrosseriebouwers (beschrijvingen)

Carrosserie Lith N.V. Rotterdam

Carrosserie Lith N.V. te Rotterdam is opgericht in 1876 (een andere bron zegt 1874). Het bedrijf was eerst gevestigd aan de Centuurbaan 66 te Rotterdam-Hillegersberg. Tegelijk met de viering van het 75-jarig jubileum werd in 1951 de nieuwe fabriek aan de Centuurbaan 32 geopend. Het bedrijf legde zich toe op de carrosseriebouw en –reparatie, met name autobussen, speciale carrosserieën en in de jaren zestig de rijdende postkantoren. In 1968 was dhr. J.W. Lith voorzitter van de Focwa, in 1936 opgericht als Federatie van Organisaties in de Carrosserie- en Wagenbouw en Aanverwante bedrijven.

Lith-1919-10-01-NRC

advertentie oktober 1919

 

Lees meer: Carrosserie Lith N.V. Rotterdam

Lemmens, Eindhoven

In 1940 wordt de carrosseriefabriek van Kusters & Lemmens gesplitst. Kusters gaat in Venlo verder en zijn inmiddels ex compagnon doet het zelfde, maar dan in Eindhoven als NV Eindhovense Carrosseriefabriek J. Lemmens. Het bedrijf is gevestigd aan de Stuiverstraat in Eindhoven, hetzelfde adres als waar hij met Kusters al vanaf 1935 werkzaam is. Naast de carrosseriebouw houdt Lemmens zich na de splitsing ook bezig met autoverhuur. De autoverhuurinrichting AVI richt zich op autoverhuur zonder chauffeur. Deze verhuur is ook gevestigd aan de Stuiverstraat en gaat van start met ‘vijftien stuks prachtige, bedrijfszekere automobielen’. AVI wordt kort na de oprichting omgezet in de NV Auto Verhuurinrichting Lemmens. Michaël Joseph Willems Lemmens drijft deze verhuur met mede aandeelhouder en accountant Sprenkels. In 1950 stopt Lemmens met de dagelijkse leiding van de autoverhuur. Daarna nemen Luijken en Van der Vorm de carrosseriefabriek en de autoverhuur over van Lemmens. Na die overname verhuizen de bedrijven naar Dillenburgstraat 13 in Eindhoven. De autoverhuur wordt in 1973 opgeheven. De Eindhovense Carrosseriefabriek ECF is nog steeds actief.

Bron: Paul Vlemmings, artikel in het Conam Bulletin, 2020/3

Lemmens

advertentie circa 1940

De Kromhout op deze advertentie (type V 6 VB, Motor 6 LW nummer 9342, chassisnummer V 587) is op 17 oktober 1939 geleverd aan Vlisco te Helmond met kenteken N-56428. De Kromhout is dan van een carrosserie voorzien door Kusters & Lemmens in 1939. Dat Lemmens deze foto gebruikt in zijn advrtentie is niet vreemd, immers zijn vorige bedrijf (Kusters & Lemmens dus) had de carrosserie gebouwd.
Dat de aanhanger ook door Kusters & Lemmens werd gemaakt is onwaarschijnlijk (carrosseriebouw is immers iets totaal anders dan chassisbouw). Mogelijk gebeurde dit door Kromhout, in 1939 immers werden er al ook eigen chassis gebouwd voor de trucks, trekkers en autobussen. De carrosserie voor die aanhanger komt dan weer wel van Kusters & Lemmens.
In 1945 wordt die Vlisco Kromhout verkocht aan Jac van Dijk. Onduidelijk is wat er tussen 1945 en 1947 mee gebeurd. Zeker is dat in 1947 die Vlisco Kromhout ontmanteld is en door Lemmens is voorzien van een 37 persoons autobus carrosserie voor Jac van Dijk met kenteken N-11629 (later NB-39-92). Het chassisnummer is dan gewijzigd in TB 587. Dat zou er op wijzen dat Kromhout bij die ombouw tot autobus betrokken is geweest.

Lees meer: Lemmens, Eindhoven

Lathouwers, 's-Hertogenbosch

Carrossereriefabriek F.H. Lathouwers

Lathouwers-1In 1821 werd de heer Franciscus Hendricus Lathouwers geboren. Hij leerde het vak van wagenmaker en in 1848 begon hij voor zichzelf. In 's-Hertogenbosch begon hij met het repareren en vervaardigen van wagens en rijtuigen. Hij deed dit kennelijk goed want zijn klantenkring besloeg na enige tijd heel Nederland, België, Duitsland en zelfs Nederlands-Indië. Het bedrijf produceerde van alles op het gebied van vervoer, van Bakkerswagens tot rijtuigen, van lijkwagens tot postkoetsen en zelfs arrensleden. De overgang naar automobiel carrosserieën ging bijna vanzelf toen een Belgische klant, een houthandelaar, een auto aanschafte. Hij vroeg Lathouwers daar een zespersoons carrosserie op te zetten.

 

Lees meer: Lathouwers, 's-Hertogenbosch

Aviolanda, Papendrecht 1945-1948

In 1926 werd de scheepswerf Burgerhout gevraagd om de Dornier Wal, een metalen vliegboot, voor de Nederlandse Marine in licentie te bouwen. De raad van bestuur van de scheepswerf voelde hier niets voor. De heer Burgerhout besloot toen zelf de zaak in handen te nemen. Hij vond in Papendrecht een grote scheepswerf die in opdracht van de firma van Driel uit Rotterdam was gebouwd. Deze werf was echter nooit in gebruik genomen. In februari 1927 werd daar begonnen met de bouw van de Dornier Wal vliegboot, die in Nederlands Indië uitstekend dienst heeft gedaan. Daarna heeft Aviolanda Curtiss Hawk jachtvleigtuigen en Dornier Do24 vliegboten in licentie gebouwd. Helaas grepen ze net naast een licentie contract voor de Douglas DC2 en Glenn Martin Bommenwerpers. In tegenstelling tot Fokker was Aviolanda inmiddels gespecialiseerd op het bouwen van metalen vliegtuigen. Aan het eind van de oorlog was het bedrijf door de Duitsers leeggeroofd. Na de oorlog werd van alles aan gepakt om weer nieuwe machines voor de vliegtuigbouw aan te kunnen schaffen.

Lees meer: Aviolanda, Papendrecht 1945-1948

Beynes, Haarlem/Beverwijk

Koninklijke Fabriek van Rijtuigen en Spoorwagons J.J. Beynes

In 1838 vestigde de timmerman Jan Beynes zich als wagenmaker op de Riviermarkt 7 te Haarlem. Het bedrijf groeide uit tot een fabriek van spoorweg materiaal. Het begon met wagons en het breidde uit naar personenrijtuigen en treinstellen. Ook trams en autobuscarrosserieën werden er gemaakt. Het bedrijf mocht de titel “Koninklijke” voeren.

Beynes-Ford

 

Twee Beynes carrosseriën op Ford chassis

Lees meer: Beynes, Haarlem/Beverwijk

BOVA, Valkenswaard

Het bedrijf werd in 1878 opgericht door Jacob Bots. Het is aanvankelijk een houthandel. In 1910 introduceerde Jacob's zoon Simon de naam BOVA, een acroniem voor Bots Valkenswaard. In 1931 werd begonnen met de bouw van autobussen.

bova carrosserie moonens cars
Autobus voor "Moonen's Cars"

Lees meer: BOVA, Valkenswaard

Bronkhorst, Hilversum

Fa. J. Bronkhorst, Langestraat 87 Hilversum.

bronkhorst-carrosserie-1909-08-05

advertentie augustus 1909

 



Bronkhorst-CadillacBronkhorst begon in de 19e Eeuw als smid en hield zich korte tijd later ook bezig met reparatie van koetsen. Tevreden klanten begonnen complete koetsen te bestellen. Bij die klanten was ook het Koninklijk Huis en vanaf 1905 was Bronkhorst koetsbouwer met de titel hofleverancier. Na 1920 gingen ze over op carrosserieën voor automobielen. Heel wat kwaliteitsauto’s kregen een body van Bronkhorst. Behalve personenauto’s bouwden ze ook ziekenauto’s en in de dertiger jaren vooral begrafeniswagens en volgauto’s. Deze laatste kregen ouderwets uitziende statige koetswerken in de ware zin van het woord. Veel van deze wagens (meestal Buick model 1933 en Chevrolet 1939) hebben de oorlog overleefd en zijn nog jarenlang gebruikt. Enkele Buick’s zijn in Amerika terecht gekomen en staan daar in musea met de foutieve mededeling dat het “the car of Queen Wilhelmina of the Netherlands” is. Omdat de firma weigerde voor de Duitsers te werken is de machinerie en inventaris door de Duitsers weggehaald waardoor het na de oorlog niet mogelijk was weer opnieuw te beginnen. In 1948 werd de zaak geliquideerd.

Foto hierboven: Coupé de Ville op basis van een Cadillac V16 1930.

Lees meer: Bronkhorst, Hilversum

Carrosserie- en Rijtuigenfabriek Gebr. Buitenweg, De Bilt

buitenweg

Het is 1895 wanneer de twee broers, Jan en Stephanus Buitenweg, besluiten een eigen bedrijf op te richten. Het bedrijf krijgt de handelsnaam : Carrosserie en Rijtuigenfabriek Gebr. Buitenweg en wordt gevestigd in De Bilt. De hoofdactiviteiten bestaan uit het vervaardigen en repareren van ruituigen. Het bedrijf heeft in De Bilt en omgeving een zeer goede naam en de broers staan bekend om hun vakbekwaamheid.

In 1920 wordt de firma omgezet in een Naamloze Vennootschap. De goede resultaten en de groei van het bedrijf maken het mogelijk noodzakelijke investeringen te doen. De tijd van rijtuigen wordt langzaam overgenomen door de komst van de auto. Het luxe carrosseriewerk nam sterk af en het repareren en verhuren van auto’s was in een stijgende lijn. Ook de handel in gebruikte auto’s werd alleen maar beter. De firma Buitenweg besloot naast deze activiteiten nieuwe auto’s te gaan verkopen. De merken Hudson en Essex werden als agentschap binnengehaald en het bedrijf zat op het goede spoor.

Lees meer: Carrosserie- en Rijtuigenfabriek Gebr. Buitenweg, De Bilt

De Ley, Princenhage

deley 1Breda 1931; Carrosseriebedrijf ‘ De Ley’

P.H. Rüttchen; tel. 4794; Princenhage

Later Urkstraat 11; voor Bedrijfswagens







In de eerste helft van deze (20e) eeuw kwamen in de gemeente Princenhage verschillende industrieën op gang. De meeste daarvan lagen tegen de stad Breda aan, op Princenhaags grondgebied.

Lees meer: De Ley, Princenhage

Den Oudsten & Zonen, Woerden

Voor de Tweede Wereldoorlog heette deze carrosseriefabriek Den Oudsten & Domburg. In de jaren dertig bouwde deze fabriek vele bussen voor Nederlandse bedrijven, waaronder grote aantallen Opel- en Bedford-bussen voor de toenmalige GEBRU ter vervanging van de stadstram in Utrecht. Na de bevrijding gingen de beide firmanten uit elkaar (bron: Wikipedia).

Oudsten Domburg 1935 GMC

 

autobus van de T.O.D 1935

 

Lees meer: Den Oudsten & Zonen, Woerden

Donderwinkel, Doesburg

Donderwinkel, bouwer van Geldersche karretjes

Door Mario Broekhuis

donderwinkel 1 Gelderse kapkar gebouwd door Donderwinkel Doesburg. Iedere kapkar is net even anders
Gelderse kapkar, gebouwd door Donderwinkel, Doesburg. Iedere kapkar is net even anders














donderwinkel 2 De eerste generatie Gerrit Jan Donderwinkel 1817 1901 grondlegger van het bedrijf in Doesburg
De eerste generatie Gerrit Jan Donderwinkel (1817‐1901), grondlegger van het bedrijf in Doesburg


Drie generaties Gerrit Jan Donderwinkel dreven een fabriek van luxe rijtuigen. Niet vanuit een prestigieuze stad als Den Haag of Haarlem, maar vanuit het halfvergeten provinciestadje Doesburg. Het verhaal van deze rijtuigfabriek heeft twee bijzondere kanten: als exporteur naar Nederlands Indië en als bouwer van de Gelderse kapkar. Zo’n kapkar staat in het Nationaal Rijtuigmuseum in Leek.

Als in oktober 1844 een advertentie in de Arnhemsche Courant verschijnt ‘Uit de hand te koop, een zeer elegant karretje op veren, geschikt voor de Geldersche kwartieren’, is dat in dezelfde periode dat de boerenzoon Gerrit Jan Donderwinkel (1817-1901) trouwt met Hendrika Isabelle Himpe en zich vestigt als wagenmaker in Doesburg. Hij kan zo’n karretje maken. Het ‘Geldersche karretje’ is een begrip ook buiten de provincie en bij andere rijtuigfabrikanten. Medio de jaren 1860 biedt Gerrit Jan naast andere rijtuigen altijd wel ‘karretjes op veren’ aan en later verandert dat in ‘Geldersche en Steegsche karretjes’, al dan niet aangeduid als kapkarretjes. Het is, in tegenstelling tot de kapkarren in andere provincies, vrijwel altijd als verkleinwoord, zelfs al gaat het ook in het Gelderse om een tamelijk robuuste kar met twee banken achter elkaar. De kap is facultatief. Uitgaande van advertenties en de kapkarren die nog resteren is Donderwinkel zonder twijfel de belangrijkste bouwer van dit type geweest.

Conservator Herman Vos beschrijft de kapkar van Donderwinkel in ‘Rijtuigen en Sleden in het Nationaal Rijtuigmuseum’ (1994): “Dit type werd wel Doesburgse kapkar genoemd, vanwege kleine variaties in de uitvoering.” Toch is de vorm van die karren gelijk. En opvallend genoeg is er een treffende overeenkomst met de Zuid-Afrikaanse ‘cape cart’. De lijnen van het bakje, de kap, de vering. Het kan bijna niet anders of die cape cart is voortgekomen uit de kapkarren die de Nederlandse boeren hadden meegebracht naar de kaap. Voor wie het meer wetenschappelijk wil benaderen is het een kwestie van elimineren: geen enkele Engelse cart, noch de Zeeuwse, noch de Achterhoekse kapkar of een andere tweewieler past zo goed in het profiel.

Jacques Malan legt in ‘Rytuie van Weleer’ (1981) uit dat ‘cape cart’ een Engelse term is voor de karren uit de Kaap, en geen juiste vertaling voor wat Afrikaners nog altijd ‘kapkar’ noemen. De historicus durft niet precies te zeggen hoe oud de kapkar in Zuid-Afrika is, maar citeert ene James Holman die een kapkar aan de Kaap in 1829 typeert als: “’n klein, sterk growwe Hollandse curricle met twee wiele, wat soveel as ses passasiers kan dra. Dit het ’n tent van leer of seil wat opgeslaan kan word.” En tegen 1865 staan er in bijvoorbeeld Bloemfontein af en toe kapkarren te koop. Wat de herkomst van die kapkarren is, weten we niet, wel dat Donderwinkel in die periode volop verscheept naar elders in de wereld. We weten ook dat de Zuid-Afrikaanse rijtuigbouw pas daarna tot ontwikkeling komt. Malan schrijft dat de kapkar toen gemeengoed was en nog steeds is: “Hierdie kar het metteryd net so eie aan en anafskeidbaar van Suid-Afrika geraak as ons kenmerkende ossewa. Verder was dit die gewildste en ook die volopste kar. Vandaar die groot verskeidenheid wat deur rytuigbouers dwarsdeur die land aangebied is en die groot getal wat in privaatbesit en in museums bewaar gebly het.” Blijft over de hamvraag: is dat populaire Zuid-Afrikaanse rijtuig een erfenis van Donderwinkel? Het is ergens wel aannemelijk, maar vooralsnog is er geen hard bewijs.

donderwinkel 3 In de Boekholtstraat in Doesburg met de tweede vierde van rechts en de derde generatie Gerrit Jan derde van links
In de Boekholtstraat in Doesburg. Op de foto staat de tweede (vierde van rechts) en de derde generatie Gerrit Jan (derde van links). De auto is een Darracq dubbele phaëton van ca. 1905















donderwinkel 4 de stofferderij
De stoffeerderij













tentwagenfabrikant
Een andere ontwikkeling is behoefte aan rijtuigen in Nederlands Indië, waar menig Nederlandse fabrikant een graantje van mee wil pikken. In het Samarangsch advertentieblad van 9 november 1860 biedt Soesman & Co een tentwagen en een coupé aan uit ‘de beroemde fabrieken’ van Donderwinkel. Vier jaar later biedt veilinghuis Thooft & Co op Semarang een coupé, een mylord en een tentwagen aan van Donderwinkel. Maar Soesman blijft evenwel nog jaren de vaste vertegenwoordiger van Donderwinkel en telkens zijn het de tentwagens die blijkbaar in de koloniale smaak vallen. Minstens een paar per jaar ‘geverfd en ongeverfd’ gaan de wereld rond. In Amsterdam is Donderwinkel in 1866 present op een grote tentoonstelling voor nijverheid en handel, met een ‘voor Indiën bestemde’ tentwagen en een plaatje laat zien wat voor type dat is: geen boerenkar, maar een luxe vierwielig rijtuig met een koetsiersbok, ruimte voor vier passagiers vis-à-vis en een zomerkap. Het is zo gespecialiseerd dat Soesman na een jaar of tien zelfs advertenties plaatst voor Donderwinkel als ‘tentwagenfabriek’, in De Locomotief, de andere krant van Semarang. Hij noemt deze tentwagens ‘enorm sterk en licht gebouwd, en zeer geschikt voor de heeren fabriekanten.’ De opmerking ‘pas gelost’ geeft aan dat de rijtuigen in zijn geheel aankwamen en niet als bouwpakket om ter plekke te assembleren. Eind 1868 doet de Staatscourant verslag van de toestand van de Nederlandse nijverheid en stelt: “In de rijtuigfabriek te Doesborgh werden 14 verschillende nieuwe rijtuigen afgeleverd , waarvan drie naar Java zijn verzonden. Behalve de patentassen en hetgeen tot het garneren en bekleeden noodig is, wordt al het vereischte in de fabriek zelve vervaardigd.” Naast Soesman leveren de gebroeders Salomonson vanaf 1878 ‘americaines’ en handwagens uit de fabriek van Donderwinkel.

donderwinkel 5 De tweede Gerrit Jan Donderwinkel 1855 1933 is fabrieksdirecteur gelegenheidsstalhouder en scherpschutter
De tweede Gerrit Jan Donderwinkel (1855‐1933) is fabrieksdirecteur, gelegenheidsstalhouder en scherpschutter


nieuwe generaties
Het is met al die bedrijvigheid niet zo verwonderlijk dat de rijtuigfabriek de nodige ruimte in het middeleeuwse stadje in beslag neemt. Donderwinkel breidt uit van de Meipoortstraat 39 tot en met 43 en de achterliggende gebouwen, het poortje van 39 (het tegenwoordige mosterdmuseum) geeft toegang tot de achterliggende gebouwen en de werkplaats die uitkomt op de Boekholtstraat.
Een nieuwe impuls komt als zoon Gerrit Jan Donderwinkel (1855-1933) in 1880 trouwt met Arnolda, de dochter van stalhouder Gerrit Jan Vossers. Wie de geschiedenis van Vossers als stalhouders aan de Zandbergstraat uitpluist komt vooral drama tegen: van verkopingen, valse beschuldigingen, een te vroeg gestorven zoon en concurrerende schoonzoon. Op 26 maart 1887 verschijnt bijvoorbeeld in twee kranten een verkoping aangekondigd in detail en met notaris ‘wegens afschaffing’ van de stalhouderij van Gerrit Jan Vossers. Of de verkoping gaat niet door en Vossers heeft spijt of de advertentie is vals, maar korte tijd later, in De Graafschap Bode van 16 april, doet Vossers een oproep, waarin hij ten stelligste ontkent te stoppen “en niet zoals reeds door een concurrent verspreide circulaire luidt, opgehouden heeft te bestaan.” Maar zeker is dat Donderwinkel zich met de rijtuigverhuur bemoeit, getuige een rekening uit mei 1898. Meer is er niet over deze Donderwinkel als ‘gelegenheidsstalhouder’, wel dat hij vanaf 1890 fanatiek is als scherpschutter op schietwedstrijden.
Het rijtuig heeft na de eeuwwisseling plaatsgemaakt voor het automobiel en daarmee komt de derde Gerrit Jan Donderwinkel (1883-1960), getrouwd met Isaäca Johanna Huibers, in beeld. De auto brengt hem niet alleen voorspoed, als hij in april 1934 een zwaar ongeluk krijgt. De chauffeur, waarvan hij als passagier een lift krijgt, moet op de Dierense dijk uitwijken voor een bus en het automobiel klapt tegen de bomen langs de weg. Gerrit Jan wordt uit de wagen geslingerd. Het loopt nog relatief goed met af met de nodige kneuzingen. Veel beter gaat het met de carrosseriebouw. De familie Donderwinkel heeft een eeuw later niet veel tastbaars bewaard of verhalen te vertellen over van de gloriedagen, maar als we de foto’s bekijken heeft Donderwinkel een breed scala aan de meest luxueuze koetswerken gebouwd en dat met motoren of chassis van befaamde merken: Berliet, Darracq, Hudson, General Motors, Renault, Spijker. In 1906 is het bedrijf tamelijk laat gemoderniseerd als ‘stoomrijtuigfabriek’, maar twee jaar later gooit Donderwinkel hoge ogen met de opbouw van een Royal Star en een Opel op de automobieltentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt. Dan gaat het snel: in 1909 gaat het elektrisch, waarmee ook de Philips gloeilampen hun intrede in de werkplaats doen.

De auto’s houden daarna nog één generatie Donderwinkel aan de gang. De zoon van de koetsier van Kasteel Middachten, dat op een vijf kilometer afstand van Doesburg ligt, Henk Dijkerman heeft er een laatste herinnering aan: “De coupé en de victoria van het kasteel zijn in de Tweede Wereldoorlog door de huisschilder opnieuw gelakt, en door Carrossier Donderwinkel op rubber gezet. Dit rubber werd gesneden uit autobanden. Op zich erg kunstig en goed gemaakt, maar toen mijn vader hoorde dat hij NSB’er was, wilde hij Donderwinkel niet meer zien.”
Het verhaal Donderwinkel eindigt in 1975 als Simca-garage met een benzinepomp.

Wat resteert zijn een paar Gelderse kapkarren in het Nationaal Rijtuigmuseum en in privébezit. Bij een inventarisatie van de rijtuigen die in 1984 op de Javaanse paleizen nog aanwezig waren, is de vroegere conservator van het Rijtuigmuseum, drs. Herman Vos, in 1984 geen enkele van die tentwagens tegengekomen, althans niet gemerkt Donderwinkel.

Bron & beeld: o.a. Rinus G.M. Rabeling, De Roode Tooren, Doesburg

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website hippomobielerfgoed.nl. De Stichting Hippomobiel Erfgoed houdt zich bezig met projecten rond rijtuigen en de rijtuighistorie in Nederland. Deze projecten hebben tot doel behoud van en kennisoverdracht over het ‘hippomobiel’, letterlijk paardgetrokken, erfgoed in brede zin. Op de Facebookpagina ‘Hippomobiel Erfgoed’ en de website www.hippomobielerfgoed.nl verschijnen wekelijks nieuwe artikelen over bijvoorbeeld de Nederlandse rijtuigfabrikanten en daarmee het begin van de carrosseriebouw.

donderwinkel 9 Deel van het bedrijf aan de Meipoortstraat in Doesburg
Deel van het bedrijf aan de Meipoortstraat in Doesburg circa 1907. V.l.n.r. het chassis van een FN en van een Unic, een Renault demi-limousine en helemaal rechts een chassis dat mogelijk van een Berliet is. 















donderwinkel spijker meiboomstraat
Een Spyker met een carrosserie van Donderwinkel voor de fabriek aan de Meipoortstraat in Doesburg, circa 1907















donderwinkel 7 Een landaulette met carrosserie van Donderwinkel
Een Simplex landaulette van circa 1908 met carrosserie van Donderwinkel












donderwinkel 7 Landaulette op het chassis met motor van een Renault
Landaulette op het chassis met motor van een Renault















Spyker-Donderwinkel-2

Hierboven: carroserie Donderwinkel op Spijker 15-22 PK rond 1907-1908. Bron: Spyker, W. Oude Weernink

Donderwinkel-1908-Royal-Star


Carrosserie op een 6 cyl. Royal Star, 1908. Deze limousine stond op de stand van Van Genderingen & Co. tijdens de RAI van 1908












Carrosserie-Donderwinkel-1909
advertentie 1909







donderwinkel-carrosserie-1910-08-11
advertentie augustus 1910















donderwinkel 8 Spyker met carrosserie van Donderwinkel
Spyker limousine/landaulette met een carrosserie van Donderwinkel, circa 1912














donderwinkel 6 Het personeel van Donderwinkel met een eerste autobus
Het personeel van Donderwinkel met een Spyker berline met binnenbesturing van circa 1912












 

 
Carrosserie-Donderwinkel-1913-0103
advertentie januari 1913















Donderwinkel-1913-Spyker-Berliet
 
advertentie mei 1913 met Landaulette Limousine carrosserie op een 25hp Spyker en en Torpedo carrosserie op een 22hp Berliet















donderwinkel
advertentie 1914














Donderwinkel-1914-Minerva

Limousine carrosserie op het chassis van een Minerva, geleverd aan dhr. G.C. Vonck te Hilversum
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
donderwinkel carrosserie 1924 1925
advertentie 1924-1925














fafnir-assen
advertentie d.d. ?

Van Eerten, Edesche Carrosserie Fabriek

edesche carrosserie fabriekWillem Alexander (Sander) van Eerten geboren op 15 oktober 1885 was wagenmaker van beroep. In zijn jonge jaren leerde hij het vak bij Köhler in Zutphen, daarna werkte hij vele jaren bij Veth in Arnhem.

Anno 1924 begon hij voor zichzelf. Hij nam de bestaande wagenmakerij van Dronkelaar over op de hoek van de Grotestraat en de Torenstraat in Ede. In 1927 kwam z'n broer Egbertus (Bertus) in de zaak. De Edesche Carrosserie Fabriek verhuisde begin jaren dertig naar de Brouwerstraat in Ede.

Lees meer: Van Eerten, Edesche Carrosserie Fabriek

Egbers, Nijmegen

Egbers had een rijtuigfabriek annex smederij aan de Berg en Dalseweg in Nijmegen. In 1898 begon hij met de fabricage van koetswerken voor automobielen, wat hem waarschijnlijk tot één van de eerste carrosseriebouwers van Nederland maakt. Zijn eerste voertuig was een coupé-victoria met een motor van Benz, geleverd door plaatsgenoot Aertnijs. Later maakte Egbers meerdere carrosseriën voor Aertnijs, onder andere op onderstelen van Darracq, die door Aertnijs op de RAI-tentoonstelling van 1903 werden getoond.

(bron: Janssen, Anton: L.A.Moll's ATIM, de geschiedenis van een Nijmeegs garagebedrijf)

egbers mors

 

Het personeel van de firma Egbers bij een Mors, circa 1898

Lees meer: Egbers, Nijmegen

Fokker 1946-1949

FokkerbussenDe N.V. Koninklijke Nederlandse Vliegtuigenfabriek Fokker had onmiddellijk na de tweede wereldoorlog een moeizame start. Er was niet onmiddellijk vraag naar nieuwe vliegtuigen. Zowel militaire vliegtuigen als civiele toestellen kwamen uit de grote oorlogsvoorraad en alleen het ombouwen van Dakota’s naar civiele DC3’s gaf wat soelaas. Daarom was Fokker blij met een opdracht van de spoorwegen om 75 autobuscarrosserieën te bouwen. Deze opdracht werd gevolgd door een opdracht van Verheul voor 248 bussen op Scania Vabis chassis en 40 bussen op Saurer chassis. De lassers van Fokker, die gewend waren om staalbuis vliegtuigrompen te lassen werden bij werkspoor bijgeschoold om het lassen van buscarrosserieën onder de knie te krijgen. Vanaf 1949 kreeg de vliegtuigbouw weer de overhand met de productie van de Fokker S11 en S14 trainers en de licentie bouw van de Hawker Seafury en de Gloster Meteor straaljager.

Lees meer:  Fokker 1946-1949

Hainje, Heerenveen

Rijtuig- en wagenmakerij B. Hainje te Heerenveen
In 1905 werkte Bartele Hainje als knechtje bij een scheepswerf annex wagenmakerij te Heerenveen. In 1907 emigreerde de eigenaar naar Amerika en deed het bedrijf over aan zijn knecht, zodat op 11 november 1907 de nog jeugdige Bartele de gelukkige bezitter werd van een eigen bedrijf met een waarde aan opstallen en inventaris van nog geen tweeduizend gulden en een bedrijfskapitaal van ruim honderd gulden.
Er werden kruiwagens, karren, sleperswagens en wat dies meer zij gebouwd en gedurende de eerste wereldoorlog werd het allereerste contact met het personenvervoer gelegd, doordat Hainje zich ging toeleggen op het onderhouden en opknappen van de vigilantes van de boeren in de omtrek. Ook werden dergelijke wagens in gebruikte staat gekocht, opgeknapt en weer verkocht, waarbij reeds toen de service om de hoek kwam kijken. Bartele Hainje fietste b.v. in die tijd twee maal twintig kilometers, om een door hem geleverde wagen te smeren, waarvoor dan de enorme vergoeding van 2,50 gulden gebeurd werd.

Lees meer: Hainje, Heerenveen

Hermans, 's Gravenhage

M.L. Hermans & Co, Fluwelen Burgwal 13-17, 's Gravenhage. fabrikanten van rijtuigen en auto-carrosserieën. Hofleveranciers.

Deze oorspronkelijke calèche bouwer werd opgericht in 1841 door Mattheus Leonard Hermans (1812-1876). Aanvankelijk gestart met 6 personeelsleden, telde 10 jaar later 21 man, in 1860 69 en in 1870 155 personeelsleden. In 1878 werd met 2 rijtuigen ingezonden naar de Wereldtentoonstelling in Parijs.

Door invoering van stoomwerktuigen liep dit aantal werknemers terug in 1904 naar ruim 60. In oorsprong gevestigd aan de Korte Poten en daarna verhuisd naar de Fluwelen Burgwal 13-15 waar het bedrijf voor het laatst voorkomt in de adresboekjes van 1926/1927.

Na het overlijden van de oprichter M.L. Hermans in 1876 werd het bedrijf voorgezeten door Johannes Wilhelmus Paesie (1843-1911) die op 14 jarige leeftijd was begonnen als leerjongen samen met Andries Jacob Haaxman (1817-1893). In 1865 werd de firma in voormalige Nederlands Indie vertegenwoordigd door J. Arntzen in Batavia, en op 12 april 1873 vervangen door J.A. Ceulen in Probolingo en leverde Hermans & Co rijtuigen aan diverse Javaanse vorsten, ook het Koninklijk huis was een niet onbelangrijke klant voor de hofrijtuigen en was men rond 1900 begonnen als carrosseriebouwer.

Bronnen:
Staatsiekoets voor een Javaansch vorst uit de rijtuigfabriek van Hermans & Co. te 's-Gravenhage In: Nederlandsch Magazijn. - Amsterdam. - 1859; p. 268-269: ill.
Beschouwing over de grote bedrijvigheid bij de rijtuigenfabriek van Hermans & Comp. In: Haagsche Courant. - 's-Gravenhage. - 11 mrt. 1865; p. 2 J. Gram;
De Rijtuigfabriek van L. Hermans & Co 's-Gravenhage in onzen tijd: met 80 ill. en 3 photo-chromo-drukken naar Apol [etc.] In: 's-Gravenhage in onzen tijd
Haagsche Schetsen. - Amsterdam. - 1893; p. 92-94. J.de Loos-Haaxman, een huis aan de Fluwelen Burgwal, Die Haghe jaarboekje (1958) p.98-100. (Die Haghe, uitgave van de geschiedkundige vereniging Die Haghe).

Met dank aan Peter van Dam

66-4Deze Delahaye, ingevoerd in 1898, was voorzien van een Hermans carrosserie en werd datzelfde jaar afgeleverd aan Baronesse van Brienen de Groot Lindt. Het aanwezige Rijksnummer behoorde toe aan de importeur P.H. Adrian.

Lees meer: Hermans, 's Gravenhage

Werkspoor, Amsterdam

In 1826 richtte Paul van Vlissingen, die ook al directeur was van de Amsterdamse Stoomboot Maatschappij, een reparatie inrichting voor stoommachines op in Amsterdam-Oostenburg. Het volgend jaar moest de zaak al uitbreiden en kwam Abraham Dudok erbij en werd een voormalige rokerij van de V.O.C. gehuurd. Het bedrijf heette vanaf dat moment Fabriek van Stoom en Andere Werktuigen. Het bedrijf bouwde stoommachines voor schepen en fabrieken en later ook stoomlocomotieven. De productie breide zich uit tot allerhande rollend materieel en ook bruggen.

In 1925 werd er zelfs een prototype helikopter gebouwd door Albert Gillis von Baumhauer. Helaas is dit veel belovende project nooit doorgezet. Het telegramadres Werkspoor werd in 1929 ook de nieuwe firma naam.

In 1930 werd er op verzoek van Albert Plesman (die niet geheel afhankelijk van Fokker wilde zijn) een vrachtvliegtuig gebouwd, ook werden voor Fokker een aantal metalen rompen voor vliegboten gebouwd. De vliegtuigbouw zette echter niet door binnen het bedrijf.

Vanaf eind jaren twintig tot 1962 werden er ook autobuscarrosserieën bij Werkspoor gebouwd. In 1954 fuseerde het bedrijf met Stork en ging als Stork-Werkspoor verder, de naam Werkspoor is nu echter uit de concernnaam verdwenen en we komen de naam alleen nog tegen bij het Werkspoormuseum.

Werkspoor-19271013

advertentie oktober 1927

Lees meer: Werkspoor, Amsterdam

Vitters, Schiedam

N.V. Carrosseriefabriek Vitters Schiedam

In augustus 1914 (na de mobilisatie) bouwde Vitters in zes dagen tijd 210 auto's om tot vrachtauto's voor het leger. De carrosserieën bleven bewaard in een grote, afgesloten loods om na de mobilisatie weer te kunnen worden gebruikt. Normaal maakte de fabriek drie wagens per week met een personeelsbestand van 70 mensen., maar voor deze klus werd gewerkt met 125 man. Op dat moment had het bedrijf nog grote bestellingen lopen voor leveringen aan onder meer Afrika, Indië en Zuid-Amerika, maar waaraan door het uitbreken van de oorlog niet meer aan voldaan kon worden.

Vitters-19140922-1

(hierboven: de omgebouwde vrachtauto's voor het leger; hieronder de binnenplaats van de fabriek in 1914)

Lees meer: Vitters,  Schiedam

Visser, Leeuwarden

visser carrosserie 1937ca

advertentie hierboven circa begin jaren vijftig

Visser Leeuwarden is in 1910 opgericht door de heer Gerben Visser. Als Visser Wagenmakerij richtte het bedrijf zich voornamelijk op de productie van koetsen en sjezen. Toen het gemotoriseerd vervoer in Nederland toenam groeide Visser uit tot een bouwer van autobussen, ambulances en brancardsystemen. In de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw ontwikkelde het bedrijf zich meer en meer tot een specialist in hulpverleningsvoertuigen.

Tekst overgenomen van de website van Visser Leeuwarden

Lees meer: Visser, Leeuwarden

Veth, Arnhem

veth-1Veth, rijtuigbouwer sinds 1840, was één van de eerste in Nederland die in 1895 overschakelde op carrosseriebouw voor auto’s.



Links: de eerste Veth carrosserie op een motorvoertuig.

Lees meer: Veth, Arnhem

Van Koppen, Rijswijk

van-koppenVan Rijtuig en Wagenmakerij G.J. van Koppen uit de Kerklaan 28 in Rijswijk is niet zo heel veel bekend maar wel deze hele fraaie foto uit hun begin periode waarin duidelijk de roots van deze carrosseriebouwer naar voren komen. (foto coll. Waldeck)

Lees meer: Van Koppen, Rijswijk

Akkermans, Oud Gastel

akkermans-delahayeCarrosserie Akkermans in Oud Gastel is opgericht in 1811 en mag zich dan ook het oudste carrosseriebedrijf van Nederland noemen. Deze solide onderneming heeft vroeger een belangrijke rol gespeeld in de landbouwmechanisatie, later werd de carrosseriebouw ter hand genomen.

Lees meer: Akkermans, Oud Gastel

Copyright © Conam 2010-2021

All Rights Reserved.