In de (niet meer bestaande) Karrensteeg in Rotterdam werken vanaf 1727 vier generaties Wessels als meesterwagenmaker. In 1857 houdt Johannes Everhardus Wessels (1812-1860) een opheffingsverkoping en laat de rijtuighandel in de Karrensteeg over aan Johannes Carolus Dolk (1811-1893). Dolk had al in de Karresteeg een zadelmakerij en vanaf dat moment kan hij een totaalpakket leveren van zadels, tuigen en diverse koetsen. Vooralsnog heeft Dolk geen smederij en het is de vraag of hij zich als zadelmaker aan het houtwerk van een rijtuig zal wagen.
Dolk, gehuwd met Adriana Antonia Deutz, mist een zoon die hem op kan volgen, maar een van zijn zes dochters, Elizabeth, trouwt met de katholieke smid Louis Spaapen (1833-1889). Louis heeft de smederij van zijn vader voortgezet aan de Nieuwstraat en maakt vooral brandkasten. Hun zoon is Johannes Adrianus Petrus Maria (Jan) Spaapen Lz. en in december 1885 doet Dolk zijn handel geheel over aan zijn kleinzoon.De Karrensteeg, circa 1936. Bron: Stadsarchief Rotterdam
Carrosseriebouwers (beschrijvingen)
Carrosseriebedrijf Donderwinkel uit Doesburg is begonnen als rijtuigfabriek in oktober 1844. De fabriek werd gedreven door drie generaties Gerrit Jan Donderwinkel en breidt uit van de Meipoortstraat 39 tot en met 43 en de achterliggende gebouwen. Het poortje van 39 (het tegenwoordige mosterdmuseum) geeft toegang tot de achterliggende gebouwen en de werkplaats die uitkomt op de Boekholtstraat.In de Boekholtstraat in Doesburg. Op de foto staat de tweede (vierde van rechts) en de derde generatie Gerrit Jan (derde van links). De auto is een Darracq dubbele phaëton van ca. 1905 en de derde generatie Gerrit Jan derde van links

Na de eeuwwisseling wordt begonnen met de bouw van carrosserieën voor automobielen en daarmee komt de derde Gerrit Jan Donderwinkel (1883-1960), getrouwd met Isaäca Johanna Huibers, in beeld. Er wordt een breed scala aan de meest luxueuze koetswerken gebouwd en dat met motoren of chassis van befaamde merken: Berliet, Darracq, Hudson, General Motors, Renault, Spijker. In 1906 wordt het bedrijf tamelijk laat gemoderniseerd als ‘stoomrijtuigfabriek’, maar twee jaar later gooit Donderwinkel hoge ogen met de opbouw van een Royal Star en een Opel op de automobieltentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt. Dan gaat het snel: in 1909 gaat het elektrisch, waarmee ook de Philips gloeilampen hun intrede in de werkplaats doen.
De auto’s houden daarna nog één generatie Donderwinkel aan de gang. De zoon van de koetsier van Kasteel Middachten, dat op een vijf kilometer afstand van Doesburg ligt, Henk Dijkerman heeft er een laatste herinnering aan: “De coupé en de victoria van het kasteel zijn in de Tweede Wereldoorlog door de huisschilder opnieuw gelakt, en door Carrossier Donderwinkel op rubber gezet. Dit rubber werd gesneden uit autobanden. Op zich erg kunstig en goed gemaakt, maar toen mijn vader hoorde dat hij NSB’er was, wilde hij Donderwinkel niet meer zien.”
Het verhaal Donderwinkel eindigt in 1975 als Simca-garage met een benzinepomp.
Bron & beeld: o.a. Rinus G.M. Rabeling, De Roode Tooren, Doesburg
Tekst: Mario Broekhuis en De Stichting Hippomobiel Erfgoed. Op de website www.hippomobielerfgoed.nl staat een uitgebreide geschiedenis van Donderwinkel als rijtuigfabrikant (klik!).





Carrosserie op een 6 cyl. Royal Star, 1908. Deze limousine stond op de stand van Van Genderingen & Co. tijdens de RAI van 1908
advertentie 1909
advertentie augustus 1910
Spyker limousine/landaulette met een carrosserie van Donderwinkel, circa 1912
Het personeel van Donderwinkel met een Spyker berline met binnenbesturing van circa 1912
advertentie januari 1913





Willem Alexander (Sander) van Eerten geboren op 15 oktober 1885 was wagenmaker van beroep. In zijn jonge jaren leerde hij het vak bij Köhler in Zutphen, daarna werkte hij vele jaren bij Veth in Arnhem.
Anno 1924 begon hij voor zichzelf. Hij nam de bestaande wagenmakerij van Dronkelaar over op de hoek van de Grotestraat en de Torenstraat in Ede. In 1927 kwam z'n broer Egbertus (Bertus) in de zaak. De Edesche Carrosserie Fabriek verhuisde begin jaren dertig naar de Brouwerstraat in Ede.
Egbers had een rijtuigfabriek annex smederij aan de Berg en Dalseweg in Nijmegen. In 1898 begon hij met de fabricage van koetswerken voor automobielen, wat hem waarschijnlijk tot één van de eerste carrosseriebouwers van Nederland maakt. Zijn eerste voertuig was een coupé-victoria met een motor van Benz, geleverd door plaatsgenoot Aertnijs. Later maakte Egbers meerdere carrosseriën voor Aertnijs, onder andere op onderstelen van Darracq, die door Aertnijs op de RAI-tentoonstelling van 1903 werden getoond.
(Bron: Janssen, Anton: L.A.Moll's ATIM, de geschiedenis van een Nijmeegs garagebedrijf)
Het personeel van de firma Egbers bij een Mors, circa 1898
De N.V. Koninklijke Nederlandse Vliegtuigenfabriek Fokker had onmiddellijk na de tweede wereldoorlog een moeizame start. Er was niet onmiddellijk vraag naar nieuwe vliegtuigen. Zowel militaire vliegtuigen als civiele toestellen kwamen uit de grote oorlogsvoorraad en alleen het ombouwen van Dakota’s naar civiele DC3’s gaf wat soelaas. Daarom was Fokker blij met een opdracht van de spoorwegen om 75 autobuscarrosserieën te bouwen. Deze opdracht werd gevolgd door een opdracht van Verheul voor 248 bussen op Scania Vabis chassis en 40 bussen op Saurer chassis. De lassers van Fokker, die gewend waren om staalbuis vliegtuigrompen te lassen werden bij werkspoor bijgeschoold om het lassen van buscarrosserieën onder de knie te krijgen. Vanaf 1949 kreeg de vliegtuigbouw weer de overhand met de productie van de Fokker S11 en S14 trainers en de licentie bouw van de Hawker Seafury en de Gloster Meteor straaljager.
Rijtuig- en wagenmakerij B. Hainje te Heerenveen
In 1905 werkte Bartele Hainje als knechtje bij een scheepswerf annex wagenmakerij te Heerenveen. In 1907 emigreerde de eigenaar naar Amerika en deed het bedrijf over aan zijn knecht, zodat op 11 november 1907 de nog jeugdige Bartele de gelukkige bezitter werd van een eigen bedrijf met een waarde aan opstallen en inventaris van nog geen tweeduizend gulden en een bedrijfskapitaal van ruim honderd gulden.
Er werden kruiwagens, karren, sleperswagens en wat dies meer zij gebouwd en gedurende de eerste wereldoorlog werd het allereerste contact met het personenvervoer gelegd, doordat Hainje zich ging toeleggen op het onderhouden en opknappen van de vigilantes van de boeren in de omtrek. Ook werden dergelijke wagens in gebruikte staat gekocht, opgeknapt en weer verkocht, waarbij reeds toen de service om de hoek kwam kijken. Bartele Hainje fietste b.v. in die tijd twee maal twintig kilometers, om een door hem geleverde wagen te smeren, waarvoor dan de enorme vergoeding van 2,50 gulden gebeurd werd.
M.L. Hermans & Co, Fluwelen Burgwal 13-17, 's Gravenhage. fabrikanten van rijtuigen en auto-carrosserieën. Hofleveranciers.
Deze oorspronkelijke calèche bouwer werd opgericht in 1841 door Mattheus Leonard Hermans (1812-1876). Aanvankelijk gestart met 6 personeelsleden, telde 10 jaar later 21 man, in 1860 69 en in 1870 155 personeelsleden. In 1878 werd met 2 rijtuigen ingezonden naar de Wereldtentoonstelling in Parijs.
Door invoering van stoomwerktuigen liep dit aantal werknemers terug in 1904 naar ruim 60. In oorsprong gevestigd aan de Korte Poten en daarna verhuisd naar de Fluwelen Burgwal 13-15 waar het bedrijf voor het laatst voorkomt in de adresboekjes van 1926/1927.
Na het overlijden van de oprichter M.L. Hermans in 1876 werd het bedrijf voorgezeten door Johannes Wilhelmus Paesie (1843-1911) die op 14 jarige leeftijd was begonnen als leerjongen samen met Andries Jacob Haaxman (1817-1893). In 1865 werd de firma in voormalige Nederlands Indie vertegenwoordigd door J. Arntzen in Batavia, en op 12 april 1873 vervangen door J.A. Ceulen in Probolingo en leverde Hermans & Co rijtuigen aan diverse Javaanse vorsten, ook het Koninklijk huis was een niet onbelangrijke klant voor de hofrijtuigen en was men rond 1900 begonnen als carrosseriebouwer.
Bronnen:
Staatsiekoets voor een Javaansch vorst uit de rijtuigfabriek van Hermans & Co. te 's-Gravenhage In: Nederlandsch Magazijn. - Amsterdam. - 1859; p. 268-269: ill.
Beschouwing over de grote bedrijvigheid bij de rijtuigenfabriek van Hermans & Comp. In: Haagsche Courant. - 's-Gravenhage. - 11 mrt. 1865; p. 2 J. Gram;
De Rijtuigfabriek van L. Hermans & Co 's-Gravenhage in onzen tijd: met 80 ill. en 3 photo-chromo-drukken naar Apol [etc.] In: 's-Gravenhage in onzen tijd
Haagsche Schetsen. - Amsterdam. - 1893; p. 92-94. J.de Loos-Haaxman, een huis aan de Fluwelen Burgwal, Die Haghe jaarboekje (1958) p.98-100. (Die Haghe, uitgave van de geschiedkundige vereniging Die Haghe).
Met dank aan Peter van Dam
Meer lezen over het rijtuigverleden van Hermans? Zie de website van Hippomobielerfgoed.nl.
Deze Delahaye, ingevoerd in 1898, was voorzien van een Hermans carrosserie en werd datzelfde jaar afgeleverd aan Baronesse van Brienen de Groot Lindt. Het aanwezige Rijksnummer behoorde toe aan de importeur P.H. Adrian.
Kopie van een offerte aan autohandelaar B.A. Jansen te 's Hertogenbosch voor de levering van diverse carrosserieën en kappen, december 1911
De Eerste Friesche Carrosseriefabriek H.J. Yntema, Workum
Obe IJntema (1852-1923) werkte als meesterknecht in de wagenmakerij van Andries Deinum in Workum. De twee konden goed met elkaar opschieten, zodanig dat Obe in 1876 de zaak overnam. De oude wagenmakerij groeide uit tot rijtuigenmakerij en later tot de fabricage van carrosserieën voor automobielen. Na het overlijden van Obe IJntema nam zijn zoon Haantje Jan Yntema (let op de veranderde schrijfwijze van de naam) de zaak over.
Uit ‘De Auto’ van 9 november 1922:
We leven op het oogenblik in een tijdperk, waarin “de hand des tijds zware builen slaat” en veel, wat vast leek als een rots en hard scheen als graniet, in puin is verbrokkeld. En juist in zoo’n periode doet het een mensch goed, wanneer hij weer eens een zaak ontmoet van ouderwetsche degelijkheid, een firma, die, zooals de Eerste Friesche Carrosseriefabriek, al meer dan 120 jaren aan den tand des tijds weerstand heeft geboden, een oude zaak dus en toch een firma met nieuwerwetsche begrippen, die van een frisschen geest getuigen.
Nagenoeg iedere Nederlander met belangstelling voor de vaderlandse industriegeschiedenis kent de naam Werkspoor. Het is de verkorte variant en latere officiële handelsnaam van de Koninklijke Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmaterieel, een Amsterdams bedrijf dat in 1827 werd opgericht door Paul van Vlissingen (1797-1876) en Abraham Dudok van Heel (1802-1873), met steun van koning Willem II.
Werkspoor als carrosseriefabriek
door Henk van Sijtveld
Werkspoor was oorspronkelijk een reparatiewerkplaats voor stoommachines, maar al snel na de start werd daarnaast een fabriek begonnen voor stoom- en andere werktuigen. Om de uitbreiding te realiseren, huurde men een voormalige rokerij van de VOC op Oostenburg. Rond 1850 was het nog onder de firmanaam Van Vlissingen-Dudok van Heel opererende bedrijf al de grootste machinefabriek van Nederland, met zo’n duizend werknemers. Door de snelle opkomst van de trein werd omstreeks de vorige eeuwwisseling begonnen met de bouw van spoorwagons en locomotieven, terwijl men in 1910 als opvolger van de stoommachine de eerste dieselmotor vervaardigde voor een zeeschip, de Vulcanus.
De bouw van spoorrijtuigen nam zo’n grote vlucht, dat in 1913 de fabricage van rollend materieel verhuisde naar een nieuwe fabriek aan de rand van Utrecht, op het industrieterrein Zuilen. Naast trein- en tramstellen werden hier ook staalconstructies (bruggen!), ketels en apparaten gemaakt. Tot die laatste categorie behoorden onder meer onderdelen voor de in Almelo vervaardigde ultracentrifuges voor het verrijken van uranium, terwijl voor de KEMA het reactorvat van een (test)kernreactor werd gemaakt. Andere bijzondere constructies van W.S.U. (Werkspoor Utrecht) zijn de schuiven van de Haringvlietdam, een ertskraan voor de Hoogovens, de radiotelescopen in Dwingeloo, het restaurant van de Euromast in Rotterdam en de hogesnelheidstunnel voor het Nationaal Luchtvaart Laboratorium.Transport van een door Werkspoor gebouwde ketel.
N.V. Carrosseriefabriek Vitters Schiedam
In augustus 1914 (na de mobilisatie) bouwde Vitters in zes dagen tijd 210 auto's om tot vrachtauto's voor het leger. De carrosserieën bleven bewaard in een grote, afgesloten loods om na de mobilisatie weer te kunnen worden gebruikt. Normaal maakte de fabriek drie wagens per week met een personeelsbestand van 70 mensen., maar voor deze klus werd gewerkt met 125 man. Op dat moment had het bedrijf nog grote bestellingen lopen voor leveringen aan onder meer Afrika, Indië en Zuid-Amerika, maar waaraan door het uitbreken van de oorlog niet meer aan voldaan kon worden.
De omgebouwde vrachtauto's voor het leger; hieronder de binnenplaats van de fabriek in 1914.
Advertentie circa begin jaren vijftig
Gosse Visser maakte rijtuigen, hooiwagens, handkarren en kruiwagens. In 1910 zette zijn zoon, Gerben Visser, de zaak voort. Onder de naam ‘Visser Wagenmakerij’ richtte het bedrijf zich voornamelijk op de productie van koetsen en sjezen.
De naam werd later gewijzigd in ‘Visser Leeuwarden’. Toen het gemotoriseerd vervoer in Nederland toenam groeide Visser uit tot een bouwer van carrosserieën voor autobussen, verhuiswagens, vrachtwagens, bestelbussen en lijkwagens.
Na de Tweede Wereldoorlog werd de zaak overgenomen door de zonen van Gerben Visser. Zij specialiseerden zich in ambulances en brancardsystemen. Daarnaast werden ook schooltandartsbussen en röntgenwagens gebouwd.
Visser Leeuwarden in inmiddels overgenomen door Ziegler, die nog steeds ambulances bouwt.
Bronnen:
Website Visser Leeuwarden
Artikel in de Telegraaf, d.d. 25 november 2022
Veth, rijtuigbouwer sinds 1840, was één van de eerste in Nederland die in 1895 overschakelde op carrosseriebouw voor auto’s.De eerste Veth carrosserie op een motorvoertuig.
Carrosserie Akkermans in Oud Gastel is opgericht in 1811 en mag zich dan ook het oudste carrosseriebedrijf van Nederland noemen. Deze solide onderneming heeft vroeger een belangrijke rol gespeeld in de landbouwmechanisatie, later werd de carrosseriebouw ter hand genomen.
Van Rijtuig en Wagenmakerij G.J. van Koppen uit de Kerklaan 28 in Rijswijk is niet zo heel veel bekend maar wel deze fraaie foto uit hun beginperiode, waarin duidelijk de roots van deze carrosseriebouwer naar voren komen. (foto coll. Hans Waldeck)
