logo 1
Contactgroep Auto- en Motorrijwiel Historie

Smelt, Amsterdam

De onderstaande tekst is gemaakt door Frans Smelt.
Hij schreef het boek "De Zaak" over het familiebedrijf Smelt dat zijn oorsprong had in Nederlands-Indië.

Dit boek kan bij Frans Smelt besteld worden, zijn email is Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

cover

De naam Smelt is onlosmakelijk verbonden met auto’s. Drie generaties lang.
Wie in de regio’s Amsterdam en het Gooi de naam Smelt noemt, zal nogal eens de reactie ‘O ja, BMW’ krijgen. Maar er zijn nog genoeg mensen die zich Peugeot, Simca, Borgward, Chrysler en Plymouth herinneren in relatie tot Smelt. En er zijn nog meer merken te noemen, maar de zes genoemde merken behoorden tot de kernactiviteiten van NV Smelt, Smelt BV, Asmoco en Ad Smelt BV in Amsterdam en het Gooi.

We hebben het dan wel over de activiteiten sinds 1953 in Nederland, waar een bescheiden start in Amsterdam leidde tot een van de grootste zelfstandige autobedrijven in de jaren zestig en zeventig in ons land. Maar daarvóór ligt nog een hele geschiedenis in Nederlands-Indië en in Indonesië. Bijna honderd jaar geleden is het begonnen in Soerabaja, toen Ad Smelt daar zijn geluk ging beproeven in de autohandel.
Tien jaar geleden heb ik de geschiedenis van Smelt in de autohandel beschreven in het boek ‘De Zaak’. In twee afleveringen in het Conam Bulletin schets ik in vogelvlucht een beeld van deze geschiedenis.

Rond 1915 vertrok Ad Smelt, geboren in 1892 in Bergen op Zoom, op de bonnefooi naar Nederlands-Indië. Daar trok hij eerst de binnenlanden van Oost-Java in om als assistent-bedrijfsleider op een onderneming (plantage) te gaan werken. Al snel ging hij in Soerabaja aan de slag bij Bouman, een smederij annex autohandel. Daar werd hij, zoals ze dat noemden, procuratiehouder. Op de foto met het kleine busje met houten opbouw staat hij in het witte pak vooraan. Op de zijkant van de opbouw staat “Hoefsmederij Autohandel Bouman, Soerabaja”.

Ad trouwde met een Indisch meisje, dat op de boekhouding van Bouman werkte en met wie hij drie zoons en twee dochters kreeg. Ad zag al gauw kansen in de groeimarkt van de auto’s en rond 1925 startte hij zijn eigen autobedrijf in Soerabaja. Al snel verhuisde Ad, met een hoofdagentschap van General Motors op Java op zak, naar Kediri. Binnen tien jaar had hij zijn bedrijf opgebouwd tot vijf vestigingen op Java, in Kediri, Malang, Solo, Madioen en Djokjakarta. Bijna uniek voor die tijd. Hoofdzakelijk handelde hij eerst in Oakland en als subdealer in Dodge, maar later in Pontiac, Chevrolet, Oldsmobile en Vauxhall. Van de vestigingen in Malang en Kediri zijn gelukkig wat foto’s bewaard gebleven. Bijzonder is de foto waarop in een Chevrolette busje Ad met zijn gezin zit. Achterop de bus staat “Geleverd door Autoh. A. Smelt, Malang Kediri”. Het ging hem goed, ook in de eerste helft van de jaren 30 toen de economische crisis wereldwijd toesloeg.

Maar, in 1935 overleed Ad Smelt plotseling. Het bedrijf kwam onder bewind te staan en in 1938 ging het gezin met vijf kinderen naar Nederland. Tijdelijk, met verlof voor de studie van de kinderen. Maar het liep anders. De oudste zoon, Ton, ging in januari 1940 nog wel terug naar Java. De rest van het gezin zou kort daarop volgen, maar dat kon plots niet vanwege de Duitse bezetting. Ton Smelt ging aan het werk in de vestiging van het bedrijf in Kediri, maar werd al snel gemobiliseerd in het KNIL en later krijgsgevangene van de Japanners.
Na de Japanse capitulatie was er van het grote autobedrijf op Java niets meer over. Maar de ondernemingszin zat ook in de tweede generatie Smelt. Ton was in 1946 op Java alweer in gesprek met General Motors en vroeg zijn jongere broers Huib en Gerard om weer naar Indonesië te komen. Dat deden ze in 1948. Omdat General Motors de boot afhield, sprong Velodrome, de importeur van Chrysler, DeSoto, Dodge en Plymouth in het gat en zo kregen de drie broers de beschikking over het resort Midden-Java voor de merken Dodge en DeSoto. Er was zelfs contact met Pon in Nederland. Als ze de kans en de tijd gekregen hadden, dan was Smelt misschien ook nog VW-dealer op Java geworden. Het liep anders.

In Semarang en Cheribon kwamen twee vestigingen die goed draaiden met de merken Dodge, DeSoto, Vanguard, Jeep en Citroën. Toppers waren de onverwoestbare Dodgetrucks die als onderstel met ‘cab over engine’ geleverd werden vanuit de VS en door Smelt op bestelling voorzien werden van laadbakken of anderszins. Maar aan de grote sedans van DeSoto en Dodge, populair bij rijke Chinezen en Europese planters en zakenlieden, werd ook goed verdiend. De trucks en sedans werden eerst via Djakarta per boot naar de rede van Semarang gebracht en daar ontscheept. Later werden ze in konvooi over de weg van Djakarta naar Semarang gereden.

In Semarang wist Smelt een mooi wit bedrijfspand los te peuteren van de plaatselijke autoriteiten, een gebouw dat enigszins in Art Deco stijl was neergezet. In de gevel was een groot medaillon aangebracht met daarin de naam A. Smelt, als een ode aan de vader van de drie broers. Bewaard gebleven foto’s laten daarnaast zien dat de garages grotendeels open waren, met alleen een dak erboven. Ongetwijfeld was dat vanwege de hitte. Ook vanwege de hitte woonden Ton en Huib Smelt met hun gezinnen in de koelere bovenstad van Semarang. Vandaaruit reden zij in hun comfortabele Amerikanen naar hun werk. Ton reed in 1952 in een prachtige bordeauxrode Dodge Coronet convertible, waarvan trots de nodige foto’s zijn gemaakt (ook met mij erin).

De politiek-maatschappelijke situatie in Indonesië verslechterde intussen begin jaren 50. Bovendien waren flinke delen van Java erg onveilig. Chaos, stakingen, smokkel, corruptie, roof, moord en diefstal waren aan de orde van de dag, waardoor het bedrijf in 1950 nog maar heel moeizaam draaide. Toch ging het een jaar later alweer veel beter en keken de drie broers met optimisme naar de toekomst. In 1952 werd duidelijk dat er toch geen toekomst voor Smelt meer was in Indonesië. In het hierboven genoemde boek “De Zaak” is uitvoerig te lezen hoe de broers erin slaagden het bedrijf met behulp van Chinese relaties te liquideren, zonder in de greep te komen van de Indonesische autoriteiten. De opbrengsten werden, opnieuw met behulp van Chinezen, doorgesluisd via Singapore, New York en Zwitserland naar Nederland.

Het hoofdstuk Nederlands-Indië en Indonesië was hiermee gesloten. Het autobloed van de broers Ton, Huib en Gerard Smelt kroop echter waar het niet gaan kon en dus zou er weer van de grond af aan opgebouwd gaan worden, maar nu in Amsterdam.