Fabrikanten (beschrijvingen)

Gelria, Arnhem

Gelria-1900-05-05-img889-1

De advertentie hierboven verscheen in de Wereldkroniek van 5 mei 1900 (klik voor een grotere versie)

De Machine- en Motorenfabriek Gelria te Arnhem is voortgekomen uit een reparatiewerkplaats die in 1883 door dhr. J. Kuhn werd opgericht. Deze onderneming werd in 1886 overgenomen door C.F.P. Alsche en vanaf 1892 voortgezet als G.A. Alsche en Co. In 1889 werd het bedrijf uitgebreid met een ijzergieterij. Men vervaardigde onder meer stationaire stoommachines en gas- en petroleummotoren.

In 1899 besloot Gelria automobielen te gaan bouwen en deze te voorzien van een eigen motor. Twee mensen werden hiervoor aangetrokken: J. Brouwer, afkomstig van de motorenfabriek Thomassen in De Steeg, waar hij aan de ontwikkeling van industriële en stationaire motoren had gewerkt en P.J. van de Berg van Saparoea. Samen vormden zij de directie van de autoafdeling. 

Op 20 juli 1899 werd op naam van de fabriek rijksnummer 91 afgegeven, bestemd voor zes automobielen met benzinemotor en een maximale afmeting van 3,70 x 1,80 meter. De eerste Gelria had een tweecilinder watergekoelde motor die 4 pk leverde. Aan de auto goed te zien dat men gewend was met industriemotoren te werken, alles was even zwaar en lomp uitgevoerd. De motor was van een zeer solide constructie, maar eigenlijk niet geschikt voor een automobiel.

Gelria-1900-05-1

 

Gelria circa 1900 (klik op de foto voor een vergroting)
















gelria-3

Gelria was aanwezig op de 3e RAI-tentoonstelling die van 9 tot 18 maart 1900 in het Paleis voor Volksvlijt werd gehouden. Op stand nummer 30 exposeerde Gelria naast een aantal motoren voor industriële doeleinden ook twee auto's: een driepersoons model duc en een vierzits dos-a-dos, die de voor die tijd zeer redelijke som van 1650 gulden kostte.

Beide automobielen waren uitgevoerd met de tweecilindermotor van 4 pk met twee versnellingen en een achteras met differentieel, die door een ketting werd aangedreven. De motor was verkrijgbaar met de zgn. "afslagmagneetontsteking" of met de gebruikelijke accu-ontsteking, die echter het nadeel had dat de accu's steeds weer opgeladen moesten worden. Beide auto's waren voorzien van luchtbanden en een op de achterwielen werkende voetrem. Deze kon tevens als parkeerrem worden gebruikt, doordat een pal was aangebracht die men maar behoefde om te zetten, wanneer men de wagen wilde blokkeren.












Na de RAI-tentoonstelling werd duidelijk dat Gelria de autofabricage serieus wilde aanpakken. inclusief de levering van losse inbouwmotoren voor auto's, zoals bleek uit een advertentie: 

"Speciale Benzine-Motoren voor Automobielen, welke door hare compactheid en eenvoud, en niet bij den bouw de zoo zeer gewenschte elegance in den weg staan."

In dezelfde advertentie stelde men te kunnen leveren:

"Automobielen van 2-20 personen, desgewenscht met eene snelheid van 3-50 K.M. per uur naar elk sierlijk model."

Die snelheid van 50 km per uur moet, gezien de zware constructie van de wagens, in twijfel worden getrokken.

De koeling van de motor was een probleem en ook andere delen van het mechanisme liepen al spoedig warm als men een wat langere tocht wilde maken. Van de Gelria die werd aangekocht door de heer G. J. Jannink te Goor is bekend dat de afstand van Arnhem naar Goor, een traject van 60 km, in vier uur werd afgelegd, met drie rusttijden van een half uur omdat de motor en de transmissie regelmatig moesten worden afgekoeld.

rijksnummer-222-gelria-1b

Hierboven de Gelria, type dogcart, van dhr. G.J. Jannink uit Goor. Dhr. Jannink had twee Gelria's waarvoor het rijksnummer 222 was afgegeven (afgiftedata 23-6-1900 en 1-8-1900).

 Gelria-1901

hierboven: advertentie uit 1901

Gelria-omnibus-1901

Omnibus uit 1901

In 1901 werd in Amsterdam geen autotentoonstelling gehouden, maar op de 4e RAI-tentoonstelling, die werd gehouden van 21 februari tot 2 maart 1902, werd een nieuw model geïntroduceerd. De tweecilinder motor kreeg verticaal geplaatste cilinders en het vermogen was gestegen van 4 naar 6 pk. Op de stand stonden drie auto's met tonneau-carrosserie. Ook exposeerde men een inspectiewagen voor twee personen, bestemd voor de Ooster Stoomtram Maatschappij. Dit was echter geen automobiel voor op de weg, maar een motordraisine die was voorzien van het nodige gereedschap om eventuele storingen te verhelpen aan de rails of aan de voertuigen van deze maatschappij. Verder toonde men een aantal inbouw- en industriemotoren.

Na deze RAI-tentoonstelling verscheen af en toe nog wel eens een advertentie van "Gelria" en er werden ook nog wel enkele automobielen gebouwd, maar langzaamaan verdween de fabriek uit het nieuws. Tot en met 1906 zijn circa dertig Gelria's gemaakt, bijna allemaal met een verschillende uitvoering. Foto's uit die periode tonen dat men bij de fabriek in Arnhem of bij de agent voor Noord-Holland, de firma B. Augustinus te Amsterdam, een auto volgens eigen inzichten kon bestellen.

In de loop van 1906 werd de autoproductie beëindigd en de zaak geliquideerd. Het bedrijf ging daarna verder als technisch bureau en importmaatschappij, tot circa 1922.


Tekst Rutger Booy met gebruikmaking van onderstaande bronnen:

Wallast M.: Historisch overzicht van de Nederlandse Automobielindustrie, 1979

Lammerse, Jan: Autodesign in Nederland, 1993

Heldt, B.H.: 80 jaar Nederlandse Automobielindustrie, 1976

Wikipedia: lemma Gelria

foto Gelria met dank aan Engbert Jannink en Derk Jordaan

Copyright © Conam 2010-2017

All Rights Reserved.