Artikelen van leden

Fernand Hombach: autopionier in Zeeland

Door Hans Waldeck

Inleiding

Uit een onderzoek naar het vroege automobilisme in Zeeland op basis van tussen 1900 en 1906 door Gedeputeerde Staten van Zeeland afgegeven zogenaamde Z-vergunningen voor het berijden van provinciale wegen en paden bleek dit automobilisme vooral wortel geschoten te hebben in en rond Hulst in Oost-Zeeuws-Vlaanderen. Fernand (Ferdinand Cornelis Octave Marie, of op zijn Frans en volgens de burgerlijke stand van Hulst[1]: Fernand Corneille Octave Mari) Hombach (Hulst, 9 mei 1863 - †Delft, 26 december 1953)[2] speelde daarbij een grote rol. Hij verwierf als toenmalig lid van Provinciale Staten niet alleen de eerste vergunning, maar droeg ook zorg voor de aanvraag van diverse vergunningen voor derden.[3] Fernand was grootgrondbezitter in Zeeland en West-Brabant en voerde ‘een grote staat’, totdat een mislukte investering in 1919(?) in inpolderingen aan de oostkust van Engeland en de bietenteelt aldaar hem waarschijnlijk financieel fataal werd.[4] Ondanks zijn grote invloed in en betekenis voor de regio bleek zeer weinig of slechts bij vermoedens over hem bekend. Wie was Fernand Hombach en wat dreef hem het opkomend automobilisme een warm hart toe te dragen in die eerste jaren van de twintigste eeuw?

De familie Hombach

De familie Hombach was een geslacht van militairen. Peter (Petrus) Hombach (geboorte- en overlijdensdatum onbekend) was afkomstig uit Hattermerse in het Duitse Nassau en maakte deel uit van de ‘Garde du Corps van Zijne Doorluchtige Hoogheid den Heere Prince van Orange en Nassau ’, dat tussen 1715 en 1747 gelegerd was in Leeuwarden. Op 28 april 1747 werd de erfstadhouder van Friesland ook aangesteld als stadhouder van Zeeland. Mede omdat de andere gewesten volgden, trok de prins naar Den Haag. Hombach volgde hem naar de hofstad. In Den Haag huwde Peter op 9 november 1795 met Helena Straatman (geboorte- en overlijdensgegevens onbekend) uit Leeuwarden. Zij kregen vier kinderen.

         Johannes Hombach

Eén van hun zonen, Johannes (*Den Haag, 22 december 1758 - †Hulst, 27 januari 1847), ging ook in militaire dienst en werd officier bij de Artillerie. Zo kwam hij vermoedelijk met de Compagnie Anthonie Frederik Zahling in 1780 in Hulst terecht waar hij een welgesteld Hulster meisje -dochter van een koopman- leerde kennen, waarmee hij als gevolg van zwangerschap halsoverkop op 4 november 1781 trouwde. Met deze Dorothea Johanna Wageschiedt (ook gespeld: Wagenschiet[5]) (*Hulst, 20 september 1759 - †Hulst, 7 april 1821) kreeg hij vier zonen. In 1787 verliet Johannes op 29-jarige leeftijd in de rang van eerste luitenant (‘capitaine pensioné’) de militaire dienst en vestigde zich definitief in Hulst aan de oostzijde van de Grote Markt. Later werd hij kapitein van de artillerie en directeur van het grof geschut van de burgerwacht in zijn woonplaats. Vermoedelijk met geld van zijn vrouw kocht hij land in de Ser Pauluspolder en in 1811 gaf hij een hofstede met schuren, een wagenhuis en stallingen met land in de wijk Oostvogel van genoemde polder in pacht aan Francies Janssens. Met deze aankopen begon het grondbezit van de familie Hombach.

         Johan Pieter Willem Hombach

De oudste zoon van Johannes was Johan Pieter Willem (*Hulst, 6 december 1781 - †Hulst, 20 januari 1858). Hij ging op 2 mei 1796 op 15-jarige leeftijd als cadet-volontair in militaire dienst bij de Artillerie- en Genieschool. In 1800 werd hij benoemd tot tweede luitenant en in 1808 tot adjudant-majoor. Bij de inlijving in 1810 van Holland door Frankrijk verliet hij de militaire dienst, waarin hij in 1814 zou terugkeren. Hij nam op 8 maart van dat jaar als kapitein-titulair weer dienst bij het 4e bataljon artillerie land-militie van het Korps Rijdende Artillerie om op 20 mei benoemd te worden als kapitein-effectief. Na een carrière bij het Korps Rijdende Artillerie werd hij in 1827 aangesteld als kapitein-adjudant van de vermaarde luitenant-generaal (‘generaal bajonet’) David Hendrik Baron Chassé (*Tiel, 18 maart 1765 - †Breda, 2 mei 1849), die grote bekendheid verwierf als commandant bij de verdediging van de Citadel van Antwerpen van 1830 tot 1832.[6] Al in 1830 werd Johan bij Koninklijk Besluit van 16 november Ridder in de Militaire Willems Orde. Hij was ook gerechtigd tot het dragen van de Citadel-medaille en het Metalen Kruis. Na het verloren beleg werd hij tezamen met zijn commandant op 29 september 1832 in Frans krijgsgevangenschap gevoerd, waaruit hij op 26 juni 1833 terugkeerde. Hij werd nog vlak voor de capitulatie benoemd tot majoor en bleef adjudant van Chassé.[7]

Op 24 maart 1811 vroeg hij per brief aan de bisschop van Gent dispensatie voor een gemengd huwelijk met de gereformeerde Baronesse Charlotte Cornelia Jacqueline van Raden (*Hulst, 18 februari 1787 - †Hulst, 5 oktober 1870), dochter van de toenmalige burgemeester van Hulst, Hendrik Ferdinand Baron van Raden.[8] Die dispensatie werd hem vermoedelijk verleend, want op 5 juli 1811 trouwde hij met Charlotte en kregen zij voor zover bekend drie kinderen, die rooms-katholiek konden worden gedoopt! Zij woonden aanvankelijk in bij de burgemeester in de Steenstraat in Hulst. Ook Johan had in de loop der jaren land gekocht. Bij zijn terugkeer uit Franse krijgsgevangenschap bezat hij bouwland, eikenbossen, een sparrenbos en een dijk in de gemeenten Hulst en Sint Jansteen. Johan -als gepensioneerd majoor- ontving op 29 oktober 1855 in Hulst tijdens een tentoonstelling van paarden, rundvee, landbouwvoortbrengselen, werktuigen en gereedschappen met uitloving van verschillende premies georganiseerd door de 12de sectie van de Maatschappij van Landbouw en Veeteelt in Zeeland een prijs van vijf gulden voor de beste en doelmatigste vrachtkar. Ook hieruit blijkt de technische belangstelling van de leden van de familie Hombach.[9]

         Charles Edward Henri Hombach

Zijn eerste zoon, Charles Edward Henri (*Hulst, 2 mei 1812 - †Hulst, 15 juni 1878), ging volgens de familietraditie opnieuw in Nederlandse krijgsdienst en vocht tijdens de Tiendaagse veldtocht in West-Zeeuws-Vlaanderen als gevolg waarvan hij net als zijn vader werd onderscheiden met het Metalen Kruis. Zijn tweede zoon (derde kind) werd lid van de militie (burgerwacht).

         Louise Charlotte Henriëtte Hombach

De enige dochter (tweede kind), Louise Charlotte Henriëtte (*Hontenisse, dagtekening onbekend 1815 - †Hulst, 5 december 1891) huwde op 31 augustus 1864 op 49-jarige leeftijd te Hulst met de 26-jarige(!) Honoré Johannes Theodorus Fassaert (*Hulst, 5 november 1837 - † datum onbekend), bierbrouwer van de ‘Halve Maan’ (opgericht in 1821) uit dezelfde plaats. 23 Jaar later werd op verzoek van Louise op 13 april 1887 door de Arrondissementsrechtbank te Middelburg de scheiding van tafel en bed van het kinderloos gebleven echtpaar uitgesproken.

Alphonse Guillaume Victor Hombach

De tweede zoon, Alphonse Guillaume Victor (*Gent, 25 november 1818 - †Hulst, 23 mei 1901), huwde in Maastricht op 12 augustus 1856 met Laure Ferdinande Victoire Cazius (*Luik, 6 juni 1828 - †Aken, 28 augustus 1905).[10],[11] Mogelijk kende Alphonse haar vader als militair uit de cadettenschool. Zij kregen vier kinderen: een meisje en daarna drie jongens.[12] Zij woonden ook in de Steenstraat. Alphonse was grootgrondbezitter.

Alphonse was waarschijnlijk de eerste, die zich een familiewapen toemat. Het wapen was gedeeld van goud en groen met over alles heen twee schuingekruiste smidshamers van natuurlijke kleur, de punten toegewend. In elke hoek twee rode rozen, in de rechter- en linkerhoek boven elkaar. Het hartschild laat een groene eikentak in zilver zien met drie eikels en vier bladeren. (afbeelding 1)[13]

hombach-01

Afbeelding 1. Het wapenschild van Alphonse Guillaume Victor Hombach. (bron: Juten, W.J.F. - : Kwartierstaten van Nederlandse Katholieken, deel !, pg 35)

De afdeling Hulst, de 12de sectie van Zeeuwse Maatschappij van Landbouw, werd op 2 februari 1844 opgericht en gold als een van de krachtigste en meest vooruitstrevende afdelingen. Dit was onder meer te danken aan de heren Alphonse Hombach en E. Vogelvanger. Nadat Vogelvanger de boerderij ‘Het Hooghuis’ had gekocht, maakte hij daar met Alphonse een modelhoeve van. Beiden ondernemen ook veel reizen naar het buitenland om daar nieuwe landbouwvoertuigen te kopen, maar ook om voordrachten te houden bij landbouwverenigingen. Op hun initiatief en andere Hulstenaren werd in 1854 een Boerenleenbank opgericht. Alphonse propageerde bovendien met succes het gebruik van kunstmest, dat in de streek populairder was dan stromest.[14]

Als lid van de gemeenteraad stelde hij bij de begrotingsbesprekingen voor het jaar 1874 voor gelden op te nemen voor de oprichting van een Tekenschool, mede omdat Hulst nu door de aanleg van de spoorlijn beter bereikbaar was geworden. Tekenscholen hadden ontegenzeggelijk al vanaf de achttiende eeuw een belangrijke maatschappelijke rol gespeeld. Het tekenen werd in die tijd door de opkomende burgerij in navolging van de adel, als een belangrijk opvoedingsmiddel beschouwd. Bij Koninklijk Besluit van 10 oktober 1829 nummer 82 werd bepaald, dat tekenscholen zo moesten worden ingericht, dat zij voornamelijk dienden voor de nuttige kunsten. De te onderwijzen vakken werden veel uitgebreider dan voorheen omschreven, waarbij lijntekenen, meetkunde, beschrijvende meetkunde, perspectief, de bouworden en ornamenten verplicht werden gesteld. Onder de nieuwe regeling vielen private en overheidsscholen, die naar onze huidige begrippen zouden variëren van een (middelbare) technische school tot kunstacademie. Er werd doorgaans ’s-avonds gedurende de wintermaanden onderwezen. Plaatselijke overheden droegen niet zelden financieel bij aan de oprichting of het bestaan van een Tekenschool.[15] De raadscommissie, die werd benoemd om dit voorstel te onderzoeken, kwam in de onderzochte annalen niet meer ter sprake, totdat in 1876 de Tekenschool kennelijk was gesticht. Het onderwijs zou worden gegeven in één van de lokalen van de lagere school, die tegen het stadhuis was gebouwd. Een huishoudelijk reglement volgde een jaar later. Het onderwijs omvatte tekenen, bouwkunde en aanverwante vakken en was bestemd voor leerlingen van 12 jaar en ouder. Deze leerlingen moesten kunnen lezen en schrijven en de vier hoofdregels van de rekenkunde in de praktijk kunnen brengen. Per week zou op één dag -de zondag!- les worden gegeven. Vanaf 4 maart 1877 bezochten de eerste 27 leerlingen de school.[16]

In begin juni 1881 stelde hij in een vergadering van ingelanden van de polder Hengstdijk, die behoorde tot het waterschap Stoppeldijk, voor een deskundige te benoemen voor het maken van een plan en begrotingen voor het aanleggen van een stoombemaling voor de genoemde polder. De Goessche Courant verzucht in een mededeling op 11 juni van dat jaar: ‘Eindelijk begint men toch daar ook in te zien, dat de bestaande situatie onvoldoende is en men onder water niet kan boeren.[17] Eén van de boerderijen, die Hombach in deze polder in pacht gaf. was de hofstede ‘Niet veel rust’.[18]

De aanleg van de Cayers-, Oud-Hinkelenoord- en Van der Duynspolder naast de spoordam tussen Woensdrecht en Rilland-Bath vond rond 1884 plaats ‘als gevolg van de ijverige bemoeiingen’ van Alphonse Hombach.[19]

Het verbouwde huis aan de Steenstraat had onder de gootlijst de koppen van jachthonden gekregen, hetgeen een aanwijzing is, dat de gronden (veelvuldig) bejaagd werd. Daarnaast werd samen met Davervelt in 1868 handel gedreven in ‘echte Peruviaansche guano’, hetgeen blijkt uit een advertentie, waarin deze vruchtbare mest voor ƒ15,50 per honderd pond door tussenkomst van C. Caboort uit de ’s-Gravenpolderschen Straatweg in Kloetinge werd aangeboden.[20] In 1878 had hij de ‘uitsluitenden verkoop van bewerkte Peru Guano voor de provincie Zeeland ’ verkregen en als hoofdagent voor Schouwen en Duiveland te Zierikzee aangesteld de heer W.C. de Crane Jr.[21] Alphonse was bovendien ondervoorzitter en later voorzitter (op 5 mei 1873) van de afdeling Hulst van de Maatschappij van Landbouw[22], voorzitter van het calamiteus waterschap Walsoorden (gemeente Hontenisse)[23], wethouder van Hulst van 1888 tot 1899[24], dijkgraaf en lid van Provinciale Staten van Zeeland (1856 tot 1883)[25]. Hij deed al in mei 1853 een gooi naar het lidmaatschap van de Tweede Kamer, maar behaalde slechts één stem.[26] Op 25 juni 1876 maakte de Vlissingse Courant bekend, dat te Neuzen (nu: Terneuzen) een vereniging ‘tot verbetering van het landbouwpaard’ was opgericht met een tiental leden. Alphonse werd tot voorzitter benoemd.[27] In juli 1876 werd Alphonse tezamen met J. Otto Risseeuw uit Oostburg in opdracht van de Koning en namens de Nederlandse regering als gedelegeerde afgevaardigd naar een landbouwkundig congres in Gent (België).[28] Hij werd begiftigd met de versierselen behorende bij het Ridderschap in de Orde van Oranje Nassau. Behalve zakelijke belangen had deze Hombach dus ook al uitgebreide bestuurlijke ambities in Zeeuws-Vlaanderen, die zijn zoon Fernand hebben aangemoedigd eenzelfde weg in te slaan. Een appel valt nu eenmaal niet ver van de boom.

Ferdinand Cornelis Octave Marie Hombach

Het is de jongste zoon van Alphonse waarnaar onze belangstelling vooral uitgaat. Fernand (Ferdinand Cornelis Octave Marie[29]) werd in Hulst geboren op 9 mei 1863[30] (afbeelding 2) en verbleef om tot nu toe onduidelijke redenen tot 8 april 1884 in Den Bosch bij de oudere broer van zijn moeder, Jean Henri Cretien Cazius (*Luik, 11 februari 1824 - †’s-Hertogenbosch, 29 mei 1989). Hij woonde als raadsheer bij het gerechtshof op dat moment aan de Hinthamerstraat 86. Fernand huwde na een verloving van bijna negen maanden op 18 januari 1890[31] vermoedelijk in Antwerpen met Jeanne (Johanna Carolina) Mist(z)ler (*Antwerpen, 26 september 1869 - †overlijdensdatum onbekend) en kregen drie kinderen. We zullen nader met Fernand kennismaken.

hombach-02

Afbeelding 2. De geboorteadvertentie van Fernand Hombach (bron: Centraal Bureau voor Genealogie, familieadvertenties, Den Haag - 2009)

 

Henriëtte Laure Marie Louise Hombach

De oudste dochter Henriëtte Laure Marie Louise (*Hulst, 11 februari 1891 - †Rijswijk, 11 augustus 1974) huwde op 15 januari 1914 te Antwerpen passend bij de ‘staat’ van haar vader op stand met Jonkheer Johan van Vredenburch (*’s-Gravenhage, 11 november 1880 - †Kapellen, 17 november 1969), grootgrondbezitter en trekpaardenfokker op het eiland Tholen.[32] Hij was lid van één van de voornaamste Nederlandse geslachten. Haar vader behoorde vanwege zijn grondbezit en belangstelling voor paarden en de jacht tot de kennissenkring van deze jonkheer. Naar wij later zullen ervaren raakten beiden ook geïnteresseerd in automobielen. Johan en Henriëtte gingen wonen in de villa ‘Buitenzorg’ op Tholen van de familie Van Vredenburch. Een villa met tuinen en een hertenpark. Johan was van 1903 tot 1920 lid van de gemeenteraad van Tholen -een activiteit, die ook Fernand van 1905 tot 1913 voor Hulst zou uitoefenen- en van 1916 tot 1920 voorzitter van de machtige boerenorganisatie Zeeuwsche Landbouw Maatschappij (Z.L.M.), opgericht in 1843. Johan was rijkslandbouwconsulent bij het Nederlands gezantschap in België en erevoorzitter van de Koninklijke Vereniging Het Nederlandse Trekpaard.[33] In 1920 vertrok het kinderloos blijvende echtpaar naar hun pas verworven landgoed ‘Beukenhof’ uit 1827 in Cappellen (Kapellen) bij Antwerpen, dat in 1962 verkocht werd en in 1974 na aankoop door de gemeente als gemeentehuis in gebruik werd genomen en nu als ontvangstruimte dienst doet.[34],[35]

Alphonse André Charles Marie Hombach

Het tweede kind was Alphonse (genoemd naar zijn grootvader) André Charles Marie (*Hulst, 29 mei 1892 - †Delft, 23 december 1962). Hij studeerde in 1924 aan de Technische Hogeschool in Delft af als civiel ingenieur[36] en is mogelijk als marineman naar Oost-Indië vertrokken, nadat hij vermoedelijk eerst nog bij zijn vader (of zijn vader bij hem?) in Brussel[37] heeft gebivakkeerd. Op 25 september 1939 vestigde hij zich in de Hoofdgracht 71 en vervolgens al op 2 december 1939 aan de Kanaalweg 3 te Den Helder. Hij was toen 47 jaar. Na de oorlog is hij zeer waarschijnlijk rond hun huwelijk ingetrokken bij zijn echtgenote aan de Markt 42 in Delft alwaar hij in 1962 zou overlijden. Hij huwde namelijk op 6 mei 1947 -54 jaar oud-  in Delft met de dan 52-jarige weduwe Johanna Schuurman (*’s-Gravenhage, 13 mei 1894 - † ?[38]) woonachtig op het genoemde Delftse adres, die uit een eerder huwelijk (∞ Den Haag, 12 januari 1921) met Leonardus Franciscus Josephus van Mierlo (*Delft, 8 april 1891 - †Delft, 26 oktober 1945[39]) drie kinderen (Maria (*Delft, 22 november 1921 - †Delft, 23 juli 2003)[40], Leonie (*Delft, 25 februari 1923 - †Delft, 18 mei 1946)[41] en Gerard[42]) had.[43],[44]

         Hendrik Jos Octave Hombach

Het derde kind was Hendrik Jos Octave, die op 29 januari 1894 in Hulst geboren werd en nog geen één jaar oud aldaar op 5 januari 1895 overleed.

Het onstuimige leven van Fernand Hombach

         Grootgrondbezitter

Fernand voerde ‘een grote staat’ (foto 3).[45] Hij woonde met zijn gezin in de Gentsestraat in Hulst in een paleisachtig huis met zeer grote tuin, die uitkwam op de stadswallen. Het huis werd wel het Palazzo Hombach genoemd (foto 4). De sociaal geograaf Onno Rottier noemt Hulst ‘Het Stad’, zoals de lieden van het ‘boerenbuiten’ -Rottier kwam uit Sint Jansteen op tien minuten fietsen van Hulst- het kenden. ‘Hulst lag er destijds nog bij als een door hoge wallen omringde oase van torens en daken temidden van het open platteland.’ Als architectuur-historicus noemt hij Hulst ‘met zijn basiliek, stadhuis, straten en steegjes … fascinerend.[46] Later huisde het Waterschap Hulster Ambacht in dit pand, dat in nog vrijwel ongewijzigde vorm bestaat. Zijn honderdjarige moeder Anna Maria Emerentia de Kerf (*Sint Jansteen, 15 augustus 1909, gehuwd met August Jean Marie Rottier, 1907-1990) herinnert zich nog glashelder de sprankelende, zomerse tuinfeesten bij de familie Hombach. De Hulster notabelen waren dan van de partij, zoals Seidlitz, Vogelvang(h)er en Collot d’Escury. Op de aan de tuin met veel opgaand hout[47] grenzende stadswallen patrouilleerde dan een ‘champetter’[48] uitgedost in vol ornaat met sabel en slierten en begeleidt door een oude lobbes van een hond. Hij moest de nieuwsgierige Hulstenaren op een afstand houden en dat deden ze nog ook in die dagen.[49] Ongetwijfeld werden bij deze gelegenheden de bij de jacht buitgemaakte eenden, fazanten en hazen voorgeschoteld, die tijdens drijfjachten in de beheerde polders in Zeeuws-Vlaanderen en rond Woensdrecht werden geschoten, zoals bijvoorbeeld bleek uit een krantenbericht over een dergelijke drijfjacht in de ‘nieuwe’ Emmapolder, waarbij 328(!) hazen tot de ‘rijke buit’ behoorden.[50]

hombach-03

Foto 3. Fernand Hombach als commissaris (lid van het bestuur) van de Koninklijke Nederlandsche Automobiel-Club (Bron: Archief KNAC, Den Haag).

 

hombach-04

Foto 4. Het Palazzo Hombach aan de Gentsestraat in Hulst, zoals het hedentendage nog steeds bestaat (foto Erik Ossewaarde, Axel).

Zijn grootvader Johannes was met de aankoop van grond rond Hulst begonnen en het bezit was allengs groter geworden, ook door het inpolderen van schorren langs de Westerschelde in de omgeving van Woensdrecht, Rilland-Bath en natuurlijk in oostelijk Zeeuws-Vlaanderen. Behalve diverse granen, zoals gerst, tarwe en haver, bonen, erwten en koolzaad werden jaarlijks ook in zeer grote hoeveelheden (miljoenen) suikerbieten verbouwd[51] en kaprijpe bomen gerooid en aangeboden. Het betrof dan Canadabomen (populieren) en Olmenbomen[52], ‘geschikt voor wagenmakers van de hofstede te Driewegen en de hofstede te Oudelande’.[53] De Hombachen lieten boeren hun land bewerken of verpachtten de landbouwgronden meestal voor perioden van 7 of 14 jaar, zoals de 283 ha ‘goede bouw- en weilanden gelegen in de Louisapolder, gemeente Clinge’, een in 1897 nieuw ingedijkte polder.[54]

         Rentmeester

De Hombachen namen ook graag landbouwgronden in pacht aan van vermogende en adellijke families, zoals van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins van Aremberg, die gronden in eigendom had in de Louisa en Safringenpolder in de gemeente Graauw.[55]

Op 23 juni 1898 richtte Fernand in Hulst de N.V. Maatschappij tot aankoop en verkoop en exploitatie van onroerende goederen in Nederland op, waarvan hij de directeur werd. Eerste doel van deze maatschappij was de latere Koningin Emmapolder door koop te verwerven.[56] Met deze maatschappij verwierf hij ook de pachtrechten van de oudste en jongste tak van de schatrijke familie Van der Duyn van omvangrijke (honderden ha) gronden in Hontenisse, Woensdrecht en Stoppeldijk en van percelen bouwland onder Woensdrecht en Rilland-Bath. Hij voerde tot 1912 ook de administratie van deze gronden. In dat jaar werd die administratie overgenomen door de rentmeester van Godard van Aldenburg Bentinck (*Middachten, 3 augustus 1857 - †Amerongen, 4 januari 1940) uit Amerongen[57] met W.J. Anthonissen als opzichter ter plaatse. In 1919 werd door Fernand en W.J. Anthonissen nog opgave gedaan van te velde staande gewassen en zaaiplannen op de door Fernand gepachte landerijen in de Damespolder -die al door zijn vader werd gepacht!- , de Anna Maria- en de Völckerpolder. Na dit jaar zwijgen deze archieven over Hombach.[58]

Fernand was ook de rentmeester van de landerijen bij Ossendrecht van de landeigenaar H.G.J. Völcker van Soelen[59], wiens voorouders in het begin van de negentiende eeuw door erfenis hun vermogen hadden verkregen en via Gravin Louisa van Bylandt, de echtgenote van Godard van Aldenburg Bentinck, weer verwant waren aan de familie Van der Duyn. Völcker was rond 1900 ten westen van Ossendrecht begonnen met de indijking van 1600ha vruchtbare zeeklei aan de voet van de Brabantse Wal. In 1904 was de dijk gereed en was voor de landarbeiders aan weerszijden van een weg een dorp met negen huizen gesticht, dat officieel Völckerdorp heet, maar ook werd aangeduid met Achttienhuizen. Het zou later een eigen kerkje en een school krijgen. De verdiensten waren niet hoog, zodat vooral in de Eerste Wereldoorlog werd bijverdiend met de smokkel naar en van België. Het dorp kreeg de bijnaam ‘Goudmijntje’. Als rentmeester zou Fernand één van de kleurrijkste personen van dit gebied worden, omdat hij bekend stond om zijn flamboyante leefstijl. Na de jacht op de uitgestrekte landerijen werden grote partijen aangericht, waarbij zelfs ‘springmadammekes’ uit Antwerpen beschikbaar waren. Fernand zou hier ook een maîtresse hebben gehad. Het gebied was slechts voor één van zijn vele automobielen bereikbaar, maar de trein van Bergen op Zoom naar Vlissingen reed door het gebied. Fernand hoefde maar zijn hand op te steken om de trein tot stilstand te brengen en op te kunnen stappen. [60]

         Weg- en waterstaat

Fernand had een groot belang bij goede afzetmogelijkheden voor zijn producten tegen een natuurlijk winstgevende prijs. Zijn polders moesten droog blijven en dus bemoeide hij zich met de stoomgemalen. De producten moesten worden afgevoerd en dus bemoeide hij zich met de aanleg, de verbetering en het juiste en veilige gebruik van wegen, trein- en tramverbindingen en veerdiensten. De prijzen voor zijn producten mochten niet inzakken en dus ging hij regelmatig op de barricaden tegen de suikerfabrikanten, tegen invoerbeperkingen vanuit België en tegen het overheidsbeleid.

De bemoeienissen met de toegangsweg vanuit Brabant naar Zeeland over de dam bij Rilland-Bath van eerst Alphonse en later zijn zoon Fernand Hombach springen daarbij in het oog. Ook daar hadden zij natuurlijk een belang bij de snelle en betrouwbare afvoer van hun producten. In zijn krantenadvertenties maakte hij diverse malen bekend, dat de landbouwproducten ‘gunstig gelegen ten opzichte van de stoomtram[61] of ‘op één uur afstand van het station[62] of ‘leverbaar aan water en spoor[63] beschikbaar waren. De wens voor een verbindingsweg over de spoorwegdam bij Rilland-Bath bestond al in 1896, toen Hombach in Provinciale Staten met een voorstel kwam om 350 ha schorren in te dammen, ‘waardoor slechts een dijk van twee kilometer nodig is en waardoor het Rijk zeer goede grond verkrijgt, waarmee gemakkelijk een ton verdiend kan worden’. De vergadering ging akkoord met het plan en stelde ook voor de Automobielenclub (bedoeld werd de Nederlandsche Automobiel-Club, de latere KNAC[64]) en de ANWB om een bijdrage te vragen.[65] Pas in 1910 kon met een demonstratieve autorit met dertig automobielen een aanzet gegeven worden voor de nog steeds niet bestaande wegverbinding tussen Bergen op Zoom en Zeeland; de weg in de buurt van de dam was ‘door goede zorgen van de heer Hombach uit Hulst met 20.000 zakken turfstrooisel berijdbaar gemaakt[66] en paarden met boerenknechten stonden paraat om eventueel vastlopende automobielen weer vlot te trekken (foto 5).

hombach-x

Foto 5: Paarden trekken een vastgelopen auto weer vrij in de demonstratieve tocht georganiseerd door Fernand Hombach in 1910. (bron: coll. Frans Kense, Tilburg)

Een plan voor een weg ten zuiden van de spoorwegdam werd door de regering in 1911 niet gesteund. De regering wilde wel een plan steunen voor een weg ten noorden van de spoorwegdam. Het plan, ‘waarvan de heer Hombach als de vader moet worden beschouwd ’ werd door de minister als ‘ontijdig’ beoordeeld, omdat het te lang zou duren, voordat de in te dijken ‘schorren en slijk- en zandgronden bezuiden de spoorwegdam ’ een te ‘geringe waarde ’ en van te ‘weinig voordeel ’ zouden zijn.[67] De latere autosnelweg A58 zou uiteindelijk in 1975 wel ten zuiden van de spoorwegdam worden aangelegd![68] De financiering was steeds een heet hangijzer tussen de Rijks- en de Provinciale overheid. In 1914 verzochten de inmiddels KNAC, de ANWB en de Nederlandse Motorwielrijders Vereniging nog voor de aanleg begonnen was aan de provincie om de weg te verbreden. Gedeputeerde Staten stelden deze beslissing uit, totdat daarvoor eventueel subsidie werd verkregen.[69] Hombach vroeg nog in december 1915 in de vergadering van Provinciale Staten wanneer de ‘weg tussen Brabant en Zeeland open zou gaan ’. [70]

In Provinciale Staten liet Fernand Hombach zich meerdere malen en soms met amendementen uit over de verbetering van secundaire wegen[71] en de veiligheid op die wegen.[72] Hij heeft zich in de vergaderingen van Provinciale Staten in dat verband ook meerdere malen uitgelaten over het fenomeen automobiel. ‘Hij rekende zich in niet geringe mate onder de vrienden’ van dit voertuig, dat volgens hem ‘evenveel vijanden als vrienden’ telde.[73] Als voorvechter van het automobilisme in Zeeland verzette Fernand tezamen met anderen zich in een discussie over een verzoek van de ANWB aan Gedeputeerde Staten om het reglement op de wegen en voetpaden in die zin te wijzigen, dat geleiders van rij- en voertuigen en wielrijders voor elkaar moeten uitwijken, tegen deze wijzigingen, omdat wielrijders daarmee kennelijk meer rechten kregen dan (zware) wagens. Hij wilde in dat kader echter ook wedstrijden met automobielen en wielerwedstrijden verbieden.[74] Fernand kreeg in 1914 veel bijval bij zijn verzet tegen een voorgestelde wijziging van Gedeputeerde Staten van Zeeland van het reglement op de wegen en voetpaden om voor te schrijven, dat landbouwers de bevuilde wielen van hun voertuigen eerst moesten reinigen alvorens van de openbare weg gebruik te maken. Landbouwers -en hij was er zelf natuurlijk één van- zouden ‘veel last hebben van de bepalingen betreffende het werpen of neerleggen van mest, onkruid enz op de weg of voetpad’. Hij verdedigde zijn verzet met de woorden, dat ‘de voorgestelde wijziging praktisch onuitvoerbaar was…’, vanwege ‘… de totale onmogelijkheid om de wielen van wagens welke door natte kleiwegen rijden van slijk te zuiveren’’.[75] Bijna honderd jaar later zou deze bepaling in het belang van de verkeersveiligheid toch landelijk ingevoerd worden. In 1906 verzette Fernand zich in Provinciale Staten tegen de invoering van tolgelden voor motorvoertuigen.[76]

Aan het einde van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw hadden de stoomtrams ook in Zeeland een grote betekenis voor het personen- en goederenvervoer. Voor Fernand was dit aanleiding - en ook weer niet zonder eigen belang natuurlijk - stevig te pleiten voor de aanleg en het onderhoud daarvan. In 1897 bepleitte hij bij de provincie een subsidie van ƒ 5000 per jaar voor de Stoomtramweg van Hulst naar Walsoorden, de aanlegplaats van het veer over de Westerschelde van Walsoorden-Hansweert,[77] die in 1943 werd vervangen door het Provinciale veer Perkpolder-Kruiningen. Hij vroeg daarbij clementie voor extra bijdragen van de polders, ’waar het nu niet zo goed mee gaat ’. Drie jaar later diende hij bij amendement een voorstel in om te besluiten aan de IJzendijkse Stoomtrammaatschappij opnieuw gedurende tien jaar ten hoogste ƒ 3000 subsidie per jaar toe te kennen, die niet mag worden gebruikt om dividenden aan aandeelhouders te betalen. Het voorstel werd echter verworpen.[78]

Tenslotte mogen niet onvermeld blijven zijn bemoeienissen in Provinciale Staten voor de Provinciale Stoombootdienst[79] en als aandeelhouder van de Stoomvaartmaatschappij ‘Zeeland’, De stoomvaartmaatschappij zou in de Eerste Wereldoorlog grote verliezen leiden met het vergaan -na het lopen op mijnen- van de ‘Prinses Juliana’, de ‘Mecklenburg’ en de “Koningin Wilhelmina’.[80] Bij de hervatting van de dienst op Gravesend in 1919 zou hij namens de aandeelhouders de commissarissen en directie grote lof toezwaaide voor hun houding in het behoud van de maatschappij voor Vlissingen.[81],[82] Fernand had bij deze stoomvaartmaatschappij vanuit Vlissingen op Engeland mogelijk belang, vanwege zijn tot nu toe overigens onduidelijke investeringen in landbouwgebieden in het oostelijk deel van Engeland.

         Agentschappen

De gewassen van Hombach werden regelmatig aangeboden met de zekerheid van een hagelverzekering.[83] In 1895 werd hij de generaal-vertegenwoordiger voor Zeeland van de eerste Nederlandsche Hagelverzekering Maatschappij. [84]

Er ging in de landbouw en zeker ook bij Hombach veel geld om. Hij genoot zeker in het begin van de twintigste eeuw veel vertrouwen van de banken, zodat hij in ieder geval tot de Eerste Wereldoorlog agent was voor de Rotterdamsche Hypotheekbank voor Nederland van 1864, die geld kon verstrekken voor een eerste hypotheek.[85]

Fernand was niet alleen geïnteresseerd in automobielen, maar in alle technische ontwikkelingen, ook in het landbouwbedrijf. In 1907 adverteerde hij met nieuwe bietenrooiers en –schoonmakers van de Belgische constructeur L. Freunet-Wauthier uit Ligny. Hij had al acht van deze machines verkocht aan de Union Sucrière.[86]

         Maatschappelijk leven

Fernand zou zich als grootgrondbezitter in diverse officiële organen, maar ook in diverse verenigingen met betrekking tot vooral de landbouw manifesteren.

In het hoofdbestuur van de grote Zeeuwse Landbouwmaatschappij verdedigde hij de belangen van de kleine boer.[87] Hij verzette zich ook tegen regeringsmaatregelen, die de prijzen van gewassen teveel negatief beïnvloedde.[88]

Het zware en sterke Zeeuws-Belgische trekpaard was onmisbaar in de Zeeuwse landbouwklei. Vader en zoon verwierven regelmatig bekroningen voor hun dieren. In 1892 verkreeg een merrie met veulen een premie van ƒ 40 van de Commissie ter Bevordering en ter Aanmoediging van de Verbetering der Paardenfokkerij in Zeeland tijdens de Zomerkeuringen.[89] In 1902 werd een dekpremie van ƒ 1000 verkregen voor de driejarige dekhenst Cesar Delsault.[90] Onder het voorzitterschap van Fernand Hombach werd in 1908 besloten het Stamboek Zeeuws-Belgisch Trekpaard te ontbinden en een nieuw stamboek op te richten onder de naam van Nederlandsch-Belgisch Trekpaardenstamboek met als doel voor heel Nederland één stamboek te hebben voor het koudbloed paardenras van Belgische oorsprong. Het werd hoofdzakelijk in Limburg, Zeeland en een gedeelte van Noord-Brabant gefokt. Hij zou daar onderhandelingen over voeren met de Limburgers.[91] Het leverde op voorspraak van Fernand in ieder geval voor de jaren 1911 en 1912 een krediet op van Gedeputeerde Staten van Zeeland ter bevordering en aanmoediging van de verbetering van de paardenfokkerij in dit gewest.[92], nadat hij al in 1897 met succes een voorstel tot vaststelling van een reglement op de keuring van dekhengsten had geamendeerd om gebreken aan het beenderstelsel, zoals zadelruggen, in te voegen.[93] Halverwege 1922 -hij was toen al drie jaar geen lid meer van Provinciale Staten- werd hem door Gedeputeerde Staten eervol ontslag verleend als lid van de Provinciale Regelingscommissie voor de Paardenfokkerij in Zeeland.[94]

Fernand was in 1899 één van de allereerste met een automobiel in Zeeland. Hij zou ook een grote rol spelen bij de verbreiding van de automobiel in dit gewest en zich opwerpen als vriend van dit voertuig.[95], [96] Fernand was met lidnummer 49 van 1905 tot 1919 commissaris (lid van het bestuur) van de (Koninklijke[97]) Nederlandsche Automobiel Club. Zijn schoonzoon Jhr Johan van Vredenburch met lidnummer 370 zou dat in 1913 ook worden en tot 1964(!) blijven. Over dit commissariaat is in de annalen van de KNAC weinig tot niets beschreven.[98] Vanaf 1900 werden door de NAC jaarlijks automobielfeesten georganiseerd in Scheveningen. Geen snelheidswedstrijden, maar meer behendigheidswedstrijden om propaganda voor de automobiel te maken. In 1905 was Hombach als commissaris direct lid van het internationale feestcomité van de ‘Semaine automobile’ (foto 6).

hombach-xx

Foto 6: De leden van het internationale feestcomité van de NAC voor de Semaine automobile in Scheveningen in 1905 (bron: De Wereldkroniek 12(1905): 18(frontpagina) van zaterdag 29 juli 1905, foto: N.H. Wolf).

Het zou nog twee keer worden georganiseerd, maar de animo was tanende. Een plan van Fernand om in 1908 opnieuw een ‘Semaine automobile De la Haye’ te organiseren liep op niets uit.[99]De heer Hombach is bijna Belg en z’n Fransch bloed stroomt sneller dan dat der meeste Nederlanders. En zoo gebeurde, dat de heer Hombach zoo ongeveer ‘helemaal alleen’ bleef staan, niet omdat de andere leden niets voelden voor een dergelijk feest, maar omdat zij het bij ondervinding wisten: wat in België in het kleinste zeeplaatsje gaat, heeft in Nederland geen succes. De aard der Hollanders is anders, we zijn veel kouder van natuur’.[100] Een jaar later zou de KNAC wel haar eerste en later beroemd geworden Clubtocht door Nederland organiseren![101]

Zijn afkomst verloochende Fernand overigens niet, want hij werd ondanks zijn onstuimige leven tweede luitenant bij de rustende schutterij in Zeeland. [102]

Jaarmarkten en tentoonstellingen behoorden in het leven van Fernand net zoals voor zovelen tot de hoogtepunten in de strijd om het bestaan. En ook hier zou Fernand zijn verantwoordelijkheid van notabele vooral van de keuringen van paarden en werktuigen nemen.[103] Hij had zich toen ook al gemanifesteerd in een commissie ter voorbereiding van de deelname van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw, waarvan Pieter Frederik Leonardus Waldeck (*Den Haag, 10 november 1840 - †Loosduinen, 21 juni 1897) (de overgrootvader van de auteur) de secretaris-penningmeester was, voor de landbouwtentoonstelling in Parijs in 1889.[104]

Fernand werd in 1911 benoemd tot erelid van de Provinciale Geitenfokvereniging.[105]

Evenals zijn vader over het mennen van paarden deed (Maatschappij van Landbouw en Veeteelt[106]) hield ook Fernand regelmatig voordrachten voor diverse verenigingen en instellingen over bijvoorbeeld de suikerbietenteelt en de verwerking van de bieten in de fabrieken, de bemesting (beide RK Boerenbond voor Zeeuws-Vlaanderen oostelijk deel[107]) en over het fokken van diverse paardenrassen (Het Nederlandsche Paardenstamboek, afdeling Zeeland[108]).

         Politieke functies

Fernand was evenals zijn vader van 1905 tot 1913 wethouder van Hulst[109], alsmede dijkgraaf van de Koningin Emmapolder.[110] Fernand deed in 1888 -vijf jaar na het aftreden van zijn vader uit deze functie- een eerste gooi naar het lidmaatschap van Provinciale Staten van Zeeland en werd kandidaat gesteld door de liberalen van het district Hulst.[111] Als lid van het hoofdbestuur van de Nederlandsche Protectionistische Landbouwvereniging en voorzitter van de afdeling Hulst bestreed hij in 1888 de dumpprijzen voor landbouwproducten.[112] Omdat hij zich als Protectionist hard had gemaakt voor de graanrechten, kon hij weliswaar katholiek zijnde voor een liberale partij in 1895 gekozen worden als lid van Provinciale Straten van Zeeland.[113] In het voorgaande was al gebleken, dat hij zich regelmatig had beziggehouden met onderwerpen, die vooral de landbouw en het verkeer aangingen. Maar hij roerde zich ook in andere onderwerpen. Zo wenste hij in 1896 onderzoek naar het gebruik van honden (waarschijnlijk tegen de mishandeling van trekhonden)[114], maar bepalingen hierover werden later dat jaar verworpen.[115] In 1899 maakte Fernand zich druk om een subsidie aan de gemeente Graauw en Langendam voor geneeskundige hulp in plaats van verloskundige hulp.[116] In 1905 spande hij zich nog eens in voor de ambachtsschool in Hulst. Zijn vader had uiteindelijk in 1876 zorggedragen voor de oprichting van een Tekenschool, de voorloper van de ambachtsschool. Die oprichting was moeizaam tot stand gekomen en kennelijk niet succesvol gebleken, want Fernand probeerde in Provinciale Staten van Zeeland (meer) subsidie te verkrijgen voor (opnieuw) de oprichting van een ambachtsschool in Hulst, hetgeen hem overigens niet lukte.[117]

In 1899 schreef Fernand een ingezonden brief, waarin hij constateerde, dat ‘een groot gevaar voor ’t landbouwbedrijf [ons] dreigt te treffen, [omdat] door de Belgische Kamerwacht aangenomen wordt het hangende wetsvoorstel tot heffing van een inkomend recht op suikerbieten van drie franken per 1000kg netto gewicht. Het inkomende recht staat nagenoeg gelijk aan verbod van invoer ….’.[118] Vooral in Zeeuws-Vlaanderen waren de suikerfabrikanten oppermachtig en de publieke opinie beoordeelde ‘de invloedrijke heren Hombach in het oostelijk deel en Hendrikse in het westelijk deel [die] in relatie tot de suikerbietenhandel staan’ daar in 1901 mede verantwoordelijk voor.[119] Fernand raakte ‘bij vele kiezers uit de gratie vanwege deze bemoeiingen met de suikerbieten of liever met de fabrikanten’. Men zei dat de L’Union Sucré hem jaarlijks enige duizenden Francs salaris bezorgde, waarbij tal van agenten en sub-agenten op stal zijn gezet. Ze zagen de opgerichte vereniging (bedoeld werd waarschijnlijk de Suikerbietenbond, HW) met lede ogen aan. Men zou zolang de bietenprijs beneden het verlangde bedrag bleef ontevreden over de fabrikanten, alsmede over de zaakgelastigden der fabrikanten en dus Hombach zijn. Fernand redde het in de verkiezingen desalniettemin.[120] In 1908 sloeg de waardering weer geheel om in een advertentie met de volgende tekst: ‘Stavenisse en Omstreken: Wij, Landbouwers-Suikerbietenteelers betuigen onzen oprechten dank aan den WelEdelen Heer Hombach te Hulst, die ons van den Suikerbietenbond heeft verlost, door ons in de gelegenheid stelllen de bieten te contracteeren voor ƒ14 onvrij en ƒ12 vrij per 1000kg. Daar deze heer de eerste is geweest die den stoot daartoe gegeven heeft, mogen de Landbouwers dit wel dankbaar aanvaarden, want nummer twee doet hetzelfde in navolging, maar nummer één is er mede begonnen. Deze verdient dus aller steun en medewerking. (Agent de heer A. van ’t Hof te Stavenisse)’.[121] Zou Fernand tot inzicht zijn gekomen of waren de aantijgingen een paar jaar eerder onterecht?

Twee jaar eerder liet Fernand zich niet onbetuigd in een anonieme beschuldiging, dat hij in zijn automobiel saccharine zou hebben gesmokkeld. Hij looft het stevige bedrag van ƒ 200 uit voor degene, die ‘de persoon aanwijst, die het lasterpraatje heeft rondgestrooid ’.[122]

Op 15 december 1917 werd in Nederland de Economische Bond opgericht (die na een korte, maar heftige bloei met vertegenwoordiging in de Tweede Kamer overigens op 16 april 1921 alweer ter ziele ging).[123] Deze bond meende aan het einde van de Eerste Wereldoorlog, dat de pacificatie was volbracht en dat het tijd werd voor een grondige herschikking van het politieke veld. De bond meende, dat het bevorderen van de volkswelvaart voortaan het voornaamste doel van de politiek moest zijn en dat voor een dergelijk doel de bestaande partijen tekortschoten. De bond had liberale opvattingen. Zaken van algemeen belang moesten worden geregeld ‘door mannen van zaken, niet door het voeren van eindelooze advocatenpleidooien, niet door het bevechten van Godsdienstpartijen, maar door gezonde en goed overwogen korte besluiten, waardoor goede wetten tijdig kunnen worden gemaakt, voor het belng van allen’. ‘Geen Staatsmonopolie, maar vrije ontwikkeling, den Landbouwer moet zoo spoedig mogelijk hun vrijheid van handelen worden teruggegeven, vrije beschikking dienen zij te hebben in hun landbouwbedrijf, vrije beschikking over hetgeen zij voortbrengen. Coöperatie moet in de hand worden gewerkt, landbouw- en middenstandcrediet moet gesteund worden, vrijhandel zij hoofdgedachte, zonder in het uiterste in alle omstandigheden dit stelsel door te drijven, het volk worde arbeid verzekerd, op loonende voorwaarden, en gebroken dient te worden, zoodra omstandigheden dit toelaten, met het geven van loon, zonder dat daartegenover arbeid staat’. Het moet Fernand als liberaal en sociaal bewogen mens als muziek in de oren hebben geklonken. En dus werd in maart 1918 in de pers opgeroepen zo spoedig mogelijk adhesie te betuigen bij de heer Hombach te Hulst voor de oprichting van de afdeling Zeeland van deze Economische Bond.[124] Of deze politieke ontwikkeling tot een kandidaatstelling voor Provinciale Staten heeft geleid is niet bekend. Vastgesteld moet worden, dat Fernand nog slechts tot het voor hem ‘rampjaar’ 1919 lid zou zijn van deze Staten.

Mogelijk als gevolg van zijn investeringen in het oostelijk deel van Engeland bereidde Fernand in 1920 nog een genootschap voor met het doel de vriendschapsbetrekkingen met het Britse rijk te bevorderen. Er was een voorlopig comité gevormd onder presidium van de heer Joost van Vollenhoven (Rotterdam, 13 december 1866 - †Amsterdam, 26 november 1923)[125] met als leden Jhr Mr E.A.O. de Casembroot (*Tholen, 15 juli 1860 - †Middelburg, 21 maart 1922) te Middelburg en Fernand nog genoemd als lid van Provinciale Staten [126]als leden.[127] Het Genootschap Nederland-Engeland bestaat nog steeds met diverse afdelingen in ons land.[128]

Fernand werd in 1909 ter gelegenheid van de verjaardag van Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina op 31 augustus benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.[129]

Rijksnummerbewijzen voor motorvoertuigen van 1898 tot 1906.

Nog steeds wordt aangenomen, dat op 18 mei 1896 door de fotograaf Adolphe Zimmermans uit Den Haag de eerste auto in Nederland werd geïmporteerd. Het was een drie pk Benz Viktoria, die op die dag in Arnhem werd ontscheept.[130] Nog geen twee jaar later werden op 19 januari 1898 bij Koninklijk Besluit nieuwe bepalingen van politie van kracht voor het gebruik van rijkswegen en -paden. Wilde men met een motorvoertuig van 150 kilogram of zwaarder rijkswegen berijden, dan moest men in het bezit zijn van een vergunning op naam van de eigenaar van het voertuig, waaraan een nummer (zonder letter) was toegekend, dat op (de voorzijde van) het voertuig moest worden aangebracht.[131] In het totaal werden van 1898 tot 1906 door de Rijksoverheid 2065 nummerbewijzen afgegeven, waarvan 1198 vroeger dan wel later op naam van een buitenlandse ingezetene.[132] Ongeveer 70 volgnummers hebben zowel een Nederlandse als (eerder of later) een buitenlandse eigenaar gehad.[133] In dat geval werden in die jaren dus 2065 -/- 1198 = 867 + 70 = ‘slechts’ 937 nummerbewijzen aan Nederlanders afgegeven.

Fernand verkreeg zijn eerste rijksnummerbewijs met nummer 143 op 23 december 1899 voor een Vivinus voiturette met een 1-cilinder motor van 3pk en een gewicht van 350kg en de nog bescheiden afmetingen van 2,00 x 1,25 meter.[134] Het wagentje had een buischassis met voorin de 1-cilinder luchtgekoelde motor van 785cc. De inlaatklep was automatisch en de ontsteking werkte op een accu. De transmissie had twee versnellingen met behulp van riemen. De prijs zou rond de 2800 Belgische Goudfranken hebben bedragen. De eerste Vivinus van dit type werd in juli 1899 geleverd. Tot in 1901 verlieten 152 exemplaren de fabriek van Vivinus (foto 7).[135] Hombach was er dus vroeg bij! Alexis Vivinus was aanvankelijk een Franse ingenieur en rijwielfabrikant in Schaerbeek-Brussel en begon in 1895 met de import van Benz-automobielen. In 1899 kon hij met financiële hulp van Graaf Jacques de Liedekerke uit Brussel een eigen atelier voor de fabricage van voiturettes beginnen, waarmee hij ook in Nederland (en Zeeland) succesvol is geweest. Na de liquidatie van zijn bedrijf in 1912 ontwikkelde hij voor een ander Belgisch automerk Minerva een acht-cilinder-in-lijn motor.[136] Alexis zou door bemiddeling van Fernand op 3 maart 1900 voor ook een Vivinus voiturette (van 2pk en 250kg) de Zeeuwse vergunning Z 4 krijgen. Zo ook Graaf Jacques de Liederkerke die Z 5 kreeg en die weer tot de kennissenkring van Hombach behoorde.

Twee jaar later kreeg Fernand op 21 april 1902 opnieuw een rijksnummerbewijs: nu met nummer 608. Deze was bestemd voor waarschijnlijk een tweede Vivinus met een 4-cilinder motor van 12pk en een aanzienlijk groter gewicht dan zijn eerste , namelijk 950kg. De afmetingen waren ook steviger: 3,20 x 1,48 meter . Op ditzelfde nummer werd op 14 mei 1903 een nieuw nummerbewijs afgegeven voor een kleinere Vivinus van 3pk en een gewicht van 350kg. De afmetingen van deze automobiel waren 3,20 x 1,48 meter. Op dit nummerbewijs werd op 29 oktober 1904 nog een derde Vivinus vastgelegd met een 4-cilinder motor van 24pk en een gewicht van 980kg en de afmetingen van 3,68 x 1,52 meter . Tenslotte vroeg en kreeg op 8 december 1905 Fernand nog een derde rijksnummerbewijs met nummer 1240. ook deze was bestemd voor een Vivinus nu met 24 pk en een gewicht van zelfs 1100kg.

 

hombach-05

Foto 7. Een Vivinus voiturette uit 1900, waarvoor Fernand Hombach het eerste provinciale nummerbewijs Z 1 kreeg (foto: Georgano, Nick - : The Beaulieu Encyclopaedia of the Automobile, Volume 2 (M-Z), London - 2000, pg 1684).

Tabel 6. De rijks- en provinciale nummerbewijzen van Fernand Hombach en de automobielen (voor zover bekend), die de bijpassende nummers droegen.47

Voor 31 december 1905

Rijksnummer

Afgiftedatum

Merk

Aantal cilinders

Aantal pk’s

Gewicht (kg)

Afmetingen (m)

Provinciaal-nummer

Afgiftedatum

143

23 12 1899

Vivinus

1

3

350

2,00 x 1,25

Z 1

10 01 1900

Gobron-Brillié

8

890

3,20 x 1,75

Z 29

27 04 1901

608

21 04 1902

Vivinus

4

12

950

3,20 x 1,60

Z 95

22 03 1902

14 05 1903

Vivinus

3

350

3,20 x 1,48

Z 234

04 04 1903

?

8

890

Z 235

04 04 1903

?

12

950

Z 236

04 04 1903

608

29 10 1904

Vivinus

4

24

980

3,68 x 1,52

Z 319

02 10 1903

1240

23 12 1905

Vivinus

24

1100

Z 602

20 10 1905

Na 1 januari 1906[137]

Vivinus?a

?

24?

1100?

?

K-3

02 01 1906

Pipe

50

1500

3,20 x 1,45

K-207

20 02 1907

Panhard-Levassor

15

K-347

02 03 1909

?

6

?

?

1,40 x 0,90 (?)

K-552

01 08 1911

Mercedes

K-1246

30 08 1916

Mercedes

45pk

K-1271

09 10 1916

a: Voor dezelfde Vivinus, waarop voor 1 januari 1906 Z 602 prijkte?

Provinciale nummerbewijzen voor motorvoertuigen van 1898 tot 1906

Voor sommige provincies was deze rijksregeling aanleiding daarnaast een overeenkomstige regeling voor provinciale wegen en paden af te kondigen. In ieder geval van Noord-Holland[138], Drenthe[139] en Noord-Brabant[140], alsmede van Zeeland is een dergelijke regeling bekend.[141]

In Zeeland werden van 6 januari 1900 tot 15 december 1905 krachtens paragraaf 2 van artikel 87bis van het Reglement op de wegen en voetpaden in Zeeland van 14 juli 1898[142] aan de verzoeker tot wederopzegging ontheffing verleend van het in paragraaf 1 van dat artikel bedoelde verbod, namelijk om op algemeen bestemde wegen in Zeeland, niet in onderhoud zijnde bij het Rijk, met een motorrijtuig, waarvan de grootste lengte twee meter en de grootste breedte 1,25 meter bedraagt en welks motor wordt aangedreven met gazoline, te mogen rijden. Aan deze vergunning waren voorwaarden verbonden.[143] De laatste vergunning zou bij besluit van 16 december 1905 op 20 december 1905 worden uitgereikt aan M.J. Krijger uit Goes voor een motorrijwiel.[144]

Fernand kreeg als lid van Provinciale Staten van Zeeland op 10 januari 1900 bij besluit van 6 januari 1900 de eerste vergunning met Z 1 -dus zonder streepje tussen de Z en de 1- voor een motorrijtuig uitgereikt.[145] Het was de Vivinus voiturette van 3pk en 350kg, waarvoor hij nog geen drie weken daarvoor een rijksnummerbewijs had verworven.[146] Tot oktober 1901 diende Fernand voor nog vijftien Belgische automobilisten een aanvraag in voor een Zeeuwse vergunning. Vermoedelijk waren daarvoor twee redenen. Fernand had gemakkelijk toegang tot het provinciaal bestuur en als grootgrondbezitter en handelaar in de opbrengsten van deze en andermans landgoederen had hij kennis aan iedere andere grondbezitter in Zeeuws-Vlaanderen. Zes van de aanvragen betroffen ook weer een Vivinus. De drie eerste aanvragen van Hombach voor derden waren alle drie voor een Vivinus voiturette. De eerste voor Georges Kerckx -een advocaat uit Brussel- , de tweede voor de leverancier van zijn eigen auto Alexis Vivinus en de derde voor Graaf Jacques de Liederkerke. Zij kregen alle drie op dezelfde datum 3 maart 1900 respectievelijk Z 3, Z 4 en Z 5 voor ieder een Vivinus voiturette van 2pk en een gewicht van 250kg.[147] Bij de aanvraag van Armand Poot Baudier, de burgemeester van Mechelen, voor de vergunning Z 14 (22 september 1900) vroeg Fernand om spoed in verband met een geplande toertocht. De overige negen vergunningen betroffen bekende merken als het Franse Delahaye (2) en het Belgische Germain (2). Ook voor vader Jules en zoon Harald Mechelynck uit Winkel Sint Kruis, die wij in een eerder onderzoek naar de Z 203 (4 oktober 1902) al tegenkwamen[148], vroeg Fernand een vergunning aan voor een Franse De Dion Bouton tricycle (Z 47, 6 juli 1901). Maar ook onbekende of minder gerenommeerde merken zouden Zeeland bezoeken, zoals een Franse Créanche van Paul Lippens uit Gent (Z 55, 17 augustus 1901) en een auto van Gaston Guders uit Brussel (Z 49, 20 juli 1901) uit de fabriek Compagnie Belge d’Autocars en van E. Mulders de Bagenrieux uit Brussel (Z 66, 5 oktober 1901) uit de fabriek Compagnie Belge de Construction d’ Automobiles, na 1903 de SA Usines Pipe.[149] Naast Alexis Vivinus manifesteerde zich nog een Belgische autofabrikant in de Zeeuwse dreven. Het was Henri Charles Paul Déchamps uit Brussel, waarvoor Fernand een vergunning aanvroeg (Z 65, 5 oktober 1901) (afbeelding 8).[150] Fernand gebruikte voor zijn aanvragen voor derden, zoals uit de afbeeldingen 9 en 10 blijkt, een standaardtekst.

hombach-07

Afbeelding 8. Een Déchamps reiswagen uit 1901 (coll. Ariejan Bos, Arnhem).

 

hombach-08

Afbeelding 9. De aanvraag met standaardtekst van de autofabrikant Henri Charles Paul Déchamps uit Brussel voor zijn vergunning Z 65 (Bron: Zeeuws Archief (Hans Schwartz), Middelburg)

 

hombach-09

Afbeelding 10. De aanvraag met standaardtekst (vergelijk afbeelding 9) van E. Mulders de Bagenrieux uit Brussel voor zijn vergunning Z 66 (Bron: Zeeuws Archief (Hans Schwartz), Middelburg)

Fernand Hombach had na zijn eerste auto gezien zijn aanvullende aanvragen voor vergunningen tussen 1901 en 1906 meerdere motorrijtuigen al of niet tegelijkertijd in zijn bezit. In het totaal deed hij tot 1 januari 1906 acht aanvragen en kreeg daarvoor eveneens acht vergunningen: Z 29 (27 april 1901), Z 95 (22 maart 1902), Z 234, Z 235 en Z 236 (4 april 1903), Z 319 (2 oktober 1903) en Z 602 (20 oktober 1905). Het waren vijf Vivinus-sen en een Franse Gobron Brillié.[151] Bij twee nummerbewijzen (Z 235 en Z 236, beiden 4 april 1903) kennen we het automerk niet; wel het aantal pk’s en de gewichten. In de aanvraag voor de Gobron-Brillié vroeg hij bovendien vergunning om zijn bij hem in dienst zijnde chauffeur Cornelis Machielse in de auto te mogen laten rijden. Later stuurde hij nog een telegram naar de provincie met de tekst: ‘wanneer zal ik toch eindelijk de gevraagde vergunning krijgen?’. In de Goessche Courant van 6 juli 1907 stond een korte mededeling over een afschuwelijk ongeval, waarbij een chauffeur van Fernand was betrokken. ‘Op het Kalf tusschen Clinge en St. Gilles is een 19-jarige jongen door een automobiel van den heer Hombach uit Hulst, die daarmede in de afgeloopen week ook Goes bezocht, het hoofd afgereden. De chauffeur zat alleen in het voertuig, deelt het Hulsterblad mede.[152]

Fernand vroeg voor zijn automobielen ook rijksvergunningen aan. Op 23 december 1899, twee weken voor de Zeeuwse vergunning Z 1 kreeg hij voor zijn eerste 4 cilinder Vivinus van 3pk rijksnummer 143. Op 21 april 1902 kreeg hij voor de tweede maal maar nu voor een 4 cilinder Vivinus van 12 pk nummerbewijs 608. Een jaar later op 14 mei 1903 werd dit nummer kennelijk overgeschreven op een andere automobiel, waarvan het merk niet vermeld wordt. Wel bood hij op 24 april van dat jaar een 4 cilinder automobiel van 16/20pk met een tonneau-carrosserie[153] aan voor 4000 gulden zonder vermelding van het merk. Weer ruim een jaar later op 29 oktober 1904 werd het nummerbewijs opnieuw gewijzigd nu voor een 4 cilinder Vivinus van 24pk. Opvallenderwijs ging dit nummerbewijs op 15 november 1905 over op zijn goede kennis en latere echtgenoot (1914) van zijn dochter Henriëtte jonkheer Johan van Vredenburch uit Tholen. Twee weken later op 8 december 1905 kreeg Hombach zijn nieuwe nummerbewijs 1240. Het merk van de automobiel, die bij dit nummerbewijs paste, zou dezelfde kunnen zijn als waarvoor hij 20 oktober 1905 Z 602 kreeg.[154]

Provinciale nummerbewijzen voor motorvoertuigen na 1905

Na 1905 werden met de op 1 januari 1905 in werking getreden Motorrijtuigen- en Rijwielwet landelijk provinciale nummerbewijzen ingevoerd ook weer afgegeven door de Commissaris der Koningin. De nummers op de afgegeven nummerbewijzen gingen na 1905 steeds vooraf van een provincieletter, die in alfabetische volgorde -te beginnen bij de provincie Groningen (A) en voor Zeeland na de provincie Zuid-Holland (H) en voor de provincie Utrecht (L)- werden afgegeven. De nummerbewijzen afgegeven in de provincie Zeeland kregen op deze wijze dus de letter K.[155]

Hombach was weer één van de eerste (afbeelding 11) en kreeg op 2 januari 1906 nummerbewijs K-3.[156] Slechts de heer F.D. Kolff van Oosterwijk uit Kruiningen (K-1) en de heer A.H. Vossenaar uit Hontenisse (K-2) waren hem voor. De aanvraag was op 13 december 1905 in een handgeschreven brief gedaan. Deze brief was al een dag later bij het Provinciaal Bestuur in Middelburg. Tegelijkertijd met deze aanvraag vroeg hij per separate brief ‘onder overlegging van een uittreksel uit het geboorteregister een rijbewijs, bedoeld in artikel 11 der motor en rijwielwet Stcrt no. 69 voor zijn motorrijtuig’ aan. Later kreeg hij op zijn verzoek ook de nummerbewijzen K-207, K-347, K-552, K-1246 en K-1271.

hombach-10

Afbeelding 11. De handgeschreven brief van Fernand Hombach gedateerd 13 december 1905 ter verkrijging van een provinciaal nummerbewijs voor één van zijn automobielen (Bron: Zeeuws Archief (Hans Schwartz), Middelburg).

Het nummerbewijs K-207 vroeg Fernand op 19 februari 1907 met een getypte brief voor een Belgische Pipe aan (afbeelding 12). Het nummerbewijs werd reeds de volgende dag afgegeven![157]

hombach-11

Afbeelding 12. De aanvraag van Fernand Hombach gedateerd 19 februari 1907 voor zijn Pipe (Bron: Zeeuws Archief (Hans Schwartz), Middelburg).

 

Begin 1909 had Fernand kennelijk behoefte aan een tweede provinciaal nummerbewijs, want hij vroeg een dergelijk nummerbewijs op 28 februari 1909 in een getypte brief ‘ingevolge de voorschriften van art I van het Motor-rijtuigenbresluit (Ned Staatscourant 24 November 1905 no 276)’ voor een Panhard-Levassor met een motor van 15pk aan.[158],[159]

In wederom een getypte brief van 30 juli 1911 vroeg Fernand zijn derde provinciale nummerbewijs aan. Nu voor ‘motor rytuig 6 cylinders 90 by 140. Het werd K-552.[160] Een automobiel met 6 cilinders: geen geringe aanschaf in die tijd.

Midden in de Eerste Wereldoorlog vroeg Fernand in 1916 tot twee maal toe een provinciaal nummerbewijs aan voor een Mercedes. Opmerkelijk indien het in beide gevallen om een nieuwe Mercedes zou zijn gegaan. De handel met de omliggende landen lag vanwege de oorlog en onze neutraliteit zo goed als stil en zeker voor automobielen als deze. Desalniettemin vroeg Fernand dus op dinsdag 29 augustus 1916 een provinciaal nummerbewijs aan voor ‘een motor rytuig Mercedes’. Hij vroeg de opgave van het kenteken ‘voor zaterdag as aan den heer directeur van de Auto Palace in den Haag, Houtweg 7’ te zenden, omdat hij op die dag gaarne het rijtuig van Den Haag naar Hulst wil rijden. Auto Palace laat in een brief gedateerd donderdag 31 augustus 1916 aan de Commissaris der Koningin in Zeeland al weten het nummerbewijs ten name van de heer F.C.O.M. Hombach ontvangen te hebben.[161] Die rit naar Hulst zal dus wel gelukt zijn.

Slechts zes weken later op 5 oktober 1916 vroeg Fernand opnieuw een provinciaal nummerbewijs aan en weer voor een Mercedes! Hij vermeldde deze keer het aantal pk’s in de aanvraag: 45. Het nummerbewijs met nummer K-1271 werd op 9 oktober 1916 afgegeven.[162]

Fernand als fotograaf

De technische belangstelling van Fernand bleef niet beperkt tot automobielen. Uit twee foto’s in het Zeeuws Archief blijkt zijn belangstelling voor en bedrevenheid in de fotografie (foto's 13 en 14). Hij maakte deze foto’s tijdens de intocht op 12 september 1907 van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik op het Abdijplein van Middelburg. Op de ene foto is de intocht per rijtuig van het koninklijk paar op het plein te zien en op de andere de uitvoerders en toehoorders van de aubade, die ter gelegenheid van deze intocht werd gegeven.[163] Fernand was natuurlijk bij deze intocht als genodigd lid van Provinciale Staten van Zeeland en had om die reden ook een uitstekende plaats om deze twee foto’s te maken. De vraag is wanneer hij met deze fotografie is begonnen, omdat tot op heden nog geen foto’s bekend zijn van zijn automobielen.

hombach-12

Foto 13. De intocht van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik in de abdij van Middelburg op 12 september 1907 gefotografeerd door Fernand Hombach (Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen Zelandia Illustrata, ZI-III-0386-02).

 

hombach-13

Foto 14. De uitvoerders en toehoorders van de aubade ter gelegenheid van de intocht van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik in de abdij te Middelburg op 12 september 1907 gefotografeerd door Fernand Hombach (Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen Zelandia Illustrata, ZI-III-0386-03).

Ook zeiljachten

Waarschijnlijk om zijn goede doen te accentueren kocht Fernand in 1917 één van de eerste Regenbogen: de nummer 6 (foto 15). Hij zou het schip met de naam ‘Dotje’ slechts twee jaar behouden. In dat jaar werd het verkocht aan H.G. Pluijgers uit Wassenaar. Een Regenboog is een (wedstrijd)zeilschip van een houten nationale eenheidsklasse van kieljachten. Het werd in 1917 ontworpen door Gerardus De Vries Lentsch jr. Het is acht meter lang en 1.96 meter breed. De kiel steekt 1.10 meter in het water. Het is getuigd met een stijl geprikt gaffelgrootzeil van 28 vierkante meter, twee fokken van 8.5 en 5 vierkante meter, een jager van 12.1 vierkante meter en een halvewinder-spinnaker van 30 vierkante meter. Het weegt 1500 kilo. Het wordt door drie personen (amateurs) gezeild. Het was de bedoeling, dat de rompen van alle Regenbogen een verschillende, door de eigenaar gekozen kleur (van de regenboog) zouden krijgen en alleen Nederlandse namen. Die van Fernand was zeegroen. Hedentendage zijn de Regenbogen behalve door hun karakteristieke uitstraling niet meer herkenbaar aan de kleur van de romp, maar nog wel herkenbaar aan het zeilteken van een halfronde (regen)boog. Hombach heeft met dit schip deelgenomen aan de eerste wedstrijd in deze klasse op 10 juni 1917 georganiseerd door ‘Hollandia’ op het Braassemermeer. Er verschenen zeven (van de tot dan toe acht gebouwde) veelkleurige Regenbogen aan de start. De prijs voor de winnaar was een door J.G. Hibma ter beschikking gestelde zilveren lepeldoos. In het verslag van deze wedstrijd werden alle zeilers pikeurs in het zeilen genoemd. J.R. Carp uit Leiden won de race met de ‘Schelm III’. Hombach deed niet in de voorste gelederen mee. Het schip kwam daarna in handen van Hombach vermoedelijk niet meer boven de grote rivieren.[164] In het jaarboek van 1918 van de Koninklijke Zeil- en Roeivereniging komen we Hombach met zijn Regenboog diverse malen tegen als deelnemer aan zeilwedstrijden, die hij ook winnend wist af te sluiten.[165] De nummer 6 heeft in de loop der jaren diverse eigenaren gekend en ook diverse namen gehad. Het zou evenals zijn eerste eigenaar niet gelukkig aan zijn einde komen. De laatste eigenaar was J. Teuben uit Harlingen.[166] Na een aanvaring met een coaster heeft het schip een half jaar op de wal gelegen. Daarna heeft de eigenaar op drieste wijze afscheid van zijn schip genomen door het met benzine te overgieten en in brand te steken![167]

In die jaren bezat Fernand nog een tweede, bijna 48 ton metend. tweemast kitszeiljacht met motor (foto 16). Een majestueus jacht, dat zijn thuishaven in Terneuzen had.[168] In het scheepsregister van het kadaster komt Fernad als eigenaar niet voor. Vermoedelijk kwam dit jacht in 1921 in handen van Baron E.L. van Voorst tot Voorst uit huize Westerveld te Elden, gemeente Elst met als thuishaven de Koninklijke Zeil- en Roeivereniging in Amsterdam.[169]

hombach-14

Foto 15: De Regenboog nummer 6 van Fernand Hombach hier tussen 1935 en 1944 gefotografeerd op het Snekermeer (zie de starttoren rechts op de foto), toen P. van Dijk uit Sneek de eigenaar van het schip -toen met de naam ‘Schelm’- was (Collectie H. van Dijk, Bolsward).

 

Uiteindelijk een faillissement

Na 1919 -vermoedelijk het jaar, dat grote investeringen in Oost-Engeland op een dramatische mislukking en een mogelijk faillissement voor Fernand waren uitgelopen- worden zijn activiteiten minder zichtbaar. Hij nam in dat jaar afscheid van Provinciale Staten van Zeeland, waarvan hij vanaf 1895 een actief lid was geweest. In hetzelfde jaar beëindigde ook zijn commissariaat (lid van het Bestuur) van de Koninklijke Nederlandsche Automobielclub (KNAC).[170] Ook verkocht hij dat jaar zijn zeilschip. Zoals beschreven liet hij zich op 24 juni 1919 nog van zich horen in de aandeelhoudersvergadering van de Stoomvaartmaatschappij ‘Zeeland’. In september 1919 bood ‘Kantoor Hombach’ in een advertentie toch nog tien miljoen suikerbieten te koop aan.[171] Vooral in advertenties dook dit kantoor na 1919 nog wel op. Uit deze berichten bleek in de eerste jaren twintig daaruit nog geen zich voltrekkende ramp voor het zakenimperium van Fernand Hombach.

Fernand woonde toen in de nabijheid van zijn dochter, die op het landgoed ‘Beukenhof’ woonde, in Kasteel Blauwhof te Capellen (België) (foto 17), dat hij waarschijnlijk in 1919 met 100ha grond had gekocht! De grond werd voor dan wel na de koop verkaveld; de eerste en grootste verkaveling in Kapellen. Het was een classicistisch hoofdgebouw van drie verdiepingen met een slotgracht en dateerde vermoedelijk uit ongeveer 1820. Het beschikte ook over een koetshuis in dezelfde stijl. Het geheel was gelegen in een groot beboomd domein met geometrische parkaanleg. De omwalde gebouwen lagen dicht tegen de Hoevensebaan.[172] In 1920 liet hij door notaris Dumoleijn zijn tuin te Hulst publiek verkopen, waarop door A. van der Wiele ƒ 11.000 werd geboden. Het werd niet gegund. Uiteindelijk werd het in 1922 via een tussenpersoon voor ƒ 12.500 verkocht aan de gemeente, die het in een onfrisse zaak weer doorverkocht voor ƒ 20.000![173]

hombach-15

Foto 17. Kasteel Blauwhof te Capellen (België) waar Fernand Hombach zich in 1919 terugtrok (bron: coll. K.J.J. Waldeck, De Wijk).

Uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te (Ter)Neuzen blijkt, dat Fernand op 20 juli 1920 Koninklijke goedkeuring kreeg voor de oprichting van een N.V. Voor zover wij nu weten zijn tweede, want in 1898 richtte Fernand in Hulst al eens de N.V. Maatschappij tot aankoop en verkoop en exploitatie van onroerende goederen in Nederland op. De notariële akte van oprichting van de nieuwe N.V. Handel- en Landbouw-Maatschappij v/h Kantoor Hombach passeerde in aanwezigheid van de drie aandeelhouders, alsmede mr Petrus Dieleman, advocaat en procureur te Middelburg, op 8 december 1920 bij notaris Emile Bernardus Dumoleyn ter standplaats Hontenisse met als doel het koopen, verkoopen, administreren en exploiteren van landerijen en andere onroerende goederen, het drijven van handel in alle landbouwproducten en meststoffen, landbouwmachines, bouwmateriaal, verhardingsproducten voor wegen, het aanleggen van kunstwegen, het aanbrengen van stofwerende middelen en het drijven van handel in paarden en vee en in het algemeen alles wat tot handel en landbouw betrekkelijk is.’ Het kapitaal van ƒ 50.000 ‘zonder geleende gelden’ was verdeeld in 100 aandelen, waarvan tachtig aandelen voor F.C.O.M. Hombach, die op dat moment aangaf in Capellen en dus in de buurt van zijn dochter Henriëtte te wonen, zestien aandelen voor zijn ongetrouwde zuster Mary Hombach wonende te Brussel en vier aandelen voor de cargadoor Antoon Ruys wonende te Wijneghem bij Antwerpen.[174]

De aangifte van eerste inschrijving in het handelsregister werd op 20 mei 1921 door de nieuwe directeur Henri de Lozanne (*Hulst, 12 januari 1866 - niet traceerbaar) gedaan. Het adres van het hoofdkantoor van de N.V. is dan in de Gentsestraat 14 te Hulst. Er was ook een filiaal te Amsterdam aan het Rokin 93 met als directeur Charles Emile Marie Joseph Kuypers (*Rotterdam, 4 december 1876 - †Soest, 4 februari 1930).[175]

Het is dan even een paar jaar stil geweest als op 13 februari 1924 door Fernand als president-commissaris vanuit Kasteel Blauwhof aangifte wordt gedaan van de uittreding van de directeur Henri de Lozanne.[176]

Op 8 oktober 1925 werd weer door Fernand, maar nu wonende te Brussel (bij zijn zuster?), aangifte gedaan van een statutenwijziging, die op 22 mei 1925 bij notaris Johannes Pieter Smit ter standplaats Amsterdam was gepasseerd.[177] Bij deze statutenwijziging was het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap verhoogd naar ƒ 500.000 verdeeld over duizend aandelen van ƒ 500, waarvan 700 aandelen voor 22 mei 1926 geheel moeten zijn volgestort. Honderd aandelen (zijnde ƒ 50.000) zijn bij de oprichting geplaatst geworden. Zeshonderd aandelen moeten binnen een jaar worden volgestort en het gehele kapitaal uiterlijk 31 december 1934.[178] Het jaar daarop meldde Fernand nog steeds wonende op een niet nader aangeduid adres in Brussel, dat de vennootschap een ‘filiaal of bijkantoor’ heeft geopend in het ‘Jachthuis’ te Woensdrecht, maar met het filiaal aan het Rokin 93 te Amsterdam als correspondentieadres.[179] Kennelijk was hij nog steeds actief in de polders rond Woensdrecht, waarvan hij eerder de administratie voerde en vervolgens de gronden bleef pachten.

In augustus en september 1927 gebeurde iets vreemds. Aanvankelijk werd door Fernand als president-commissaris met als adres Rokin 93 te Amsterdam op 23 augustus aangifte gedaan van het ontslag van zijn directeur Kuypers. De naam van Fernand en zijn opgegeven adres werden echter doorgehaald en vervangen door die van … directeur Kuypers met als adres Amstellaan 47I in Amsterdam. Ook het kapitaal zou gewijzigd zijn, maar is nog steeds ƒ 500.000 op basis van de statutenwijziging van 22 mei 1925. Maar belangrijker is nog de wijziging van het doel van de vennootschap, ‘het uitgeoefend bedrijf’’, dat ‘thans uitsluitend Wegenbouw (Siligeenbeton & Asphaltblockwegen[180]) en Landbouw-Exploitaties’ is geworden.[181] Het hoofdkantoor was nu gevestigd aan de Omval 21 te Amsterdam, terwijl het kantoor te Hulst bijkantoor is geworden. Nog geen maand later volgde een nieuwe aangifte van Kuypers zelf, waarin hij opnieuw opgaaf doet van zijn directeurschap(!) met als woonadres Amstellaan 47 en als kantooradres Omval 21. Fernand Hombach werd in deze aangifte niet genoemd.[182] Wat zou in deze periode hebben plaatsgevonden? Een conflict tussen de president-commissaris Hombach en de directeur Kuypers over de koers, die vennootschap zou moeten varen, beslecht in het voordeel van de directeur? Ruim anderhalf jaar later in mei 1929 deed Fernand toch weer zelf aangifte van de uittreding van zijn directeur Kuypers, maar op weer een ander adres van de N.V. aan de Weesperzijde 65 te Amsterdam.[183] Een maand later liet hij bovendien weten, dat het bijkantoor te Woensdrecht opgeheven was.[184]

En dan valt het doek. Bij vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Middelburg, dd. 19 Augustus 1931, werd de Naamloze Vennootschap Handel- en Landbouwmaatschappij, voorheen kantoor Hombach, gevestigd te Hulst, VERKLAARD IN STAAT VAN FAILLLISSEMENT, met benoeming van den Edelachtbaren Heer Mr. J. H. Bybau, Lid van genoemde Rechtbank, tot Rechter-Commissaris en van ondergeteekende, advocaat en procureur te Middelburg, tot curator. Middelburg, 24 augustus 1931. De Curator voornoemd, Mr. H. van der Beke Callenfels.[185]In een verslag, dat aan de basis van deze uitspraak lag, bleek de vennootschap ‘Conform de verwachtingen [bleek de NV] in een deplorablen toestand te verkeeren. Te Hulst was geen kantoor meer aanwezig en ook het kantoor te Amsterdam, van waaruit nog eenigen tijd zaken waren gedaan, bleek niet meer te bestaan. De heer F.C.O.M. Hombach, met zijne zuster de eenige aandeelhouder der NV en president-commissaris was sedert eenige maanden in vrijwel behoeftige omstandigheden te Bilthoven woonachtig, waar de curator hem op september 19 bezocht teneinde zich nader van den stand des boedels te overtuigen.[186] Kennelijk waren Fernand en zijn zuster Mary inmiddels uit Brussel in Nederland teruggekeerd en in Bilthoven neergestreken. Fernand was toen 68 jaar. Lange tijd werd geprocedeerd over een claim van ƒ 140.000, waarvan de belangrijkste crediteuren de Rotterdamsche Bankvereeniging voor ƒ 75.000 en Hombach zelf voor ƒ 50.000 (zijn inleg bij de oprichting van de vennootschap) waren. Automobielen komen in deze faillissementsstukken overigens niet voor. Pas op 28 juni 1939 werd het faillissement opgeheven bij gebrek aan baten. In 1950 werd op basis van artikel 18, derde lid, der Handelsregisterwet de N.V. Handel- en Landbouw-Maatschappij v/h Kantoor Hombach opgeheven.[187]

De levensavond van Fernand Hombach

Ook volgens de persoonskaart van het Centraal Bureau voor Genealogie vertrok hij op enig moment eerst naar Antwerpen en later naar Brussel (geen vermelding adressen). Een adres in Bilthoven wordt op deze kaart niet vermeld. Pas op 5 april 1941 voegde hij zich in Delft bij zijn zoon, die sinds 23 oktober 1940 zijn intrek aan de Markt 42 had genomen en wellicht een werkkring had gevonden aan de Technische Hogeschool aldaar, om op 14 oktober 1946 te verhuizen naar de Nieuwe Plantage 80 en op 14 juni 1948 tenslotte naar de Oude Delft 203. Fernand overleed in Delft op 26 december 1953 op negentigjarige leeftijd.[188]

Fernand Hombach van grote staat, van groot formaat

De leden van familie Hombach waren dus gedurende lange tijd militairen met een indrukwekkende staat van dienst. Allen waren bij de artillerie of de genie betrokken, technische legeronderdelen dus. Deze technische belangstelling, maar ook vaardigheden zouden op diverse manieren tot uitdrukking komen. Nadat aartsvader Johannes in Hulst was neergestreken en huwde met een Hulster meisje, werden successievelijk steeds meer landbouwgronden aangekocht en ontgonnen. Het zou de welstand van de familie over een groot aantal jaren bepalen. Fernand kreeg de welstand wat dat betreft in de schoot geworpen. Zijn vader Alphonse zou voor hem ook het grote voorbeeld zijn. Niet alleen als grootgrondbezitter en landbouwer, maar ook als bestuurder tot op het niveau van lid van Provinciale Staten. Fernand zou als gevolg van zijn grote invloed in Zeeuws-Vlaanderen, maar ook in de rest van Zeeland en het westelijk deel van Noord-Brabant een kennissenkring opbouwen van invloedrijke, kapitaalkrachtige en adellijke families. Het moet hem grote voldoening geschonken hebben, dat zijn dochter met een jonkheer huwde. Het moet hem ook veel verdriet gedaan hebben, dat dat huwelijk kinderloos bleef. Zijn zoon werd overigens ingenieur en zette daarmee de technische kwaliteiten van de familie Hombach academisch op de kaart.

Met zijn vernieuwende en sociaal bewogen karakter kon hij dat nieuwe fenomeen de automobiel natuurlijk niet aan zich voorbij laten gaan. Ongetwijfeld beïnvloed door zijn Belgische kennissenkring kwam hij al vroeg in contact met de eerste Belgische automobielen. Hij zou zich ontwikkelen tot een pionier op dat gebied in Zeeuws-Vlaanderen, in Zeeland en eigenlijk ook in Nederland. De victorie begon wat dat betreft voor Zeeland in ieder geval in Hulst. Fernand had soms meerdere automobielen tegelijk en gebruikte ze voor binnen- en buitenlandse reizen, voor zijn werk en voor zijn plezier en zelfs om zijn politieke aspiraties kracht bij te zetten. Hij was een man van zijn tijd, die het breed had, maar het ook breed liet hangen en anderen daarvan mee liet profiteren.

Het bleef Fernand voor de wind gaan, totdat waarschijnlijk in 1919 - hij was toen 56 jaar - iets vreselijk mis ging. Een verkeerde investering in het oostelijk deel van Engeland, waarover we nog weinig teruggevonden hebben, heeft hem waarschijnlijk geruïneerd. Met een nieuw opgezette naamloze vennootschap heeft hij nog wel geprobeerd zijn Nederlandse activiteiten voort te zetten, maar het vuur was eruit. Even zag het er zelfs naar uit, dat hij in 1925 - hij was toen al 62 jaar - met de asfaltering van wegen weer een grote slag kon slaan (foto 18). Het heeft niet zo mogen zijn. Het werd een zwervend bestaan, dat bij zijn zoon in Delft zou eindigen. Fernand was een man van ‘grote staat’ geweest, maar ook van groot formaat! Hij was hoog gestegen, maar ook weer diep gezonken. Desalniettemin werd hij - ik hoop met een glaasje wijn - negentig jaar.

hombach-16

Foto 18. Fernand Hombach op vermoedelijk 65-jarige leeftijd (bron: coll Carlo Buijsrogge, Hulst).

Naschrift

Een lange zoektocht heeft veel aan het licht gebracht over Fernand Hombach, maar ook veel nog steeds niet. Het is het waard om aan de vergetelheid te ontrukken. Al degene, die aan deze geschiedenis iets zouden willen en kunnen toevoegen nodig ik van harte uit dat te doen. Uw wetenswaardigheden worden gaarne ingewacht bij: Dr K.J.J. Waldeck, Commissieweg 1, 7957NC  De Wijk.

 

Dit artikel is in verkorte vorm ook verschenen in het Conam Bulletin jg. 22, nummer 3, september 2012, pagina 5-10.

Bronnen:

De vermelde krantenberichten zijn allemaal terug te vinden op http://zoeken.krantenbankzeeland.nl.


[1] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1851-1910, Archief van - , toegang 6.2, inv.nr 3566, agendanr 1052; Fernand schreef in een aanvraag gedateerd 13 december 1905 voor een rijbewijs zijn naam overigens als Fernand Corneille Octave Mary.

[2] Centraal Bureau voor Genealogie: persoonskaart, Den Haag - 2009; Kopie (handgeschreven) uittreksel Burgerlijke Stand Provincie Zeeland, Arrondissement Middelburg, Gemeente Hulst ten behoeve van Fernand Corneille Octave Mari, zoon van de echtelieden Alphonse Guillaume Victor Hombach en Laure Ferdinande Victoire Cazius afgegeven dd 13 december 1905 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hulst, getekend ‘Rottier’ (Zeeuws Archief - 2009).

[3] Waldeck, Hans - : De provinciale Zeeuwse Z-nummerbewijzen van 1900 tot 1906. De victorie van het automobilisme in Zeeland begon in Hulst, Conam Bulletin 20(2010): 2(5-14).

[4]Brand, J. - : De familie Hombach, Jaarboek Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’ 14(1995): 1(4-10).

[5] Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 7, pg 617-618 (www.dbnl.org).

[6]www.wikipedia.org/wiki/David_Hendrik_Chass.

[7] Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 7, pg 617-618 (www.dbnl.org).

[8] Centraal Bureau voor Genealogie, Familieadvertenties, Den Haag - 2009. Henry Ferdinand van Raden was van 1808 tot 1814 ‘Maire’ van Hulst en na de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden vervolgens tot 1830 burgemeester onder de naam Henry Ferdinand von Raden (Brand, P.J. - : De geschiedenis van Hulst, Hulst – 1972, pg 473).

[9] Zierikzeesche Courant, 7 november 1855, pg. 1.

[10] Centraal Bureau voor Genealogie, Heraldische databank, Den Haag - 2009.

[11] www.kazius.info > Unico Willem Elisa Cazius.

[12] Marie Julie Louise Elise (*Hulst, 30 december 1857 - † ?; William Louis Ferdinand Charles (*Hulst, 25 maart 1860 - †Luik, 22 mei 1872; Jules Henry Alphonse Victor (*Hulst, 31 juli 1861 - †Hulst, 4 april 1865) en Ferdinand Cornelis Octave Marie (*Hulst, 9 mei 1863 - † ?) (bron: Centraal Bureau voor Genealogie, familieadvertenties, Den Haag - 2009)

[13] Juten, W.J.F. - : Kwartierstaten van Nederlandse Katholieken, deel !, pg 35.

[14]www.archieven.nl (Zeeuws Archief, inv nr. 492.3 Zeeuwse Landbouw Maatschappij (ZLM), Deel 3: Kringen en Afdelingen (1844-1994).

[15] Kamp, M. van der – (eindredactie): De Lucaskraker. Historie en analyse van en meningen over het beeldende-kunstonderwijs aan de kunstacademies in Nederland, Assen - 1984, pg 34-37.

[16] Anonymous: Scholen in Hulst. Middelbaar onderwijs - de Tekenschool, Voorlichtingsblad Gemeente Hulst, editie 2002, nummer 6 (www.gemeentehulst.nl).

[17]Goessche Courant, 11 juni 1881, pg. 1.

[18] Zierikzeesche Nieuwsbode, 9 augustus 1888, pg 2.

[19] Zierikzeesche Nieuwsbode, 7 februari 1884, pg 1.

[20] Goessche Courant, 12 september 1864, pg. 4.

[21] Zierikzeesche Nieuwsbode, 16 februari 1878, pg.4. Peruaanse guano (fosfaat- en stikstofhoudende zeevogelmest) werd in de negentiende eeuw met scheepsladingen tegelijk uit Peru (Ballestas-eilanden) geïmporteerd en in 1878 door Mees & Moens uit Rotterdam en in hun opdracht door M.H. Salomonson fijngemalen en opgelost.

[22] Vlissingse Courant, 11 mei 1873, pg. 2. De benoeming vond plaats met 55 van de 66 uitgebrachte stemmen als gevolg van het overlijden van de voorzitter E. Vogelvanger.

[23] Vlissingse Courant, 6 juni 1875, pg. 2. Een polder, die niet in staat was de kosten van zeewering en oeververdediging zelfstandig te dragen, kon op zijn verzoek door Provinciale Staten -na goedkeuring door de Kroon- calamiteus verklaard worden om op die manier gecompenseerd te worden in de tekorten bij het op peil houden van die zeewering en die oeververdediging. Deze compensatie was geregeld in een Wet van 19 juli 1870 (Staatsblad nr. 119) voor waterschappen, die voor dergelijke calamiteuze polders waren opgericht. De waterschappen konden zelf belastingen heffen, maar konden tekorten bij de provincie en de rijksoverheid deponeren, die aanvankelijk respectievelijk tweederde en éénderde van die tekorten voor hun rekening namen (Wikipedia.org). A.G.V. Hombach werd begin 1878 (opnieuw) tot voorzitter van het bestuur ‘der waterkeering van het calamiteuse waterschap Walsoorden’ benoemd door de Koning (Zierikzeesche Courant, 6 maart 1878, pg. 2 (NB Ook nog in 1880)

[24] Brand, P.J. - : De geschiedenis van Hulst, Hulst - 1972, pg 471; Alphonse Guillaume Victor was ook al in 1857 aftredend gemeenteraadslid van Hulst en behaalde toen waarschijnlijk onvoldoende stemmen om herkozen te worden (Goessche Courant, 23 juli 1857, pg. 1).

[25] In 1879 ondervoorzitter onder voorzitter Mazure van de 3de afdeling van Provinciale Staten van Zeeland (Zierikzeesche Courant, 9 juli 1879, pg. 2 , in 1880 voorzitter van de 2de afdeling (Goessche Courant, 6 november 1880, pg. 1 en op 2 november 1881 tot voorzitter van de 1ste afdeling (Goessche Courant, 3 november 1881, pg. 2); Zierikzeesche Courant, 7 februari 1883, pg 1.

[26] Goessche Courant, 19 mei 1853, pg. 2.

[27] Vlissingse Courant, 25 juni 1873, pg. 1.

[28] Zierikzeesche Courant, 28 juni 1876, pg. 1.

[29] Op de persoonskaart van het Centraal Bureau voor Genealogie staan zijn voornamen vermeld als: Fernand Corneille Octave Mari.

[30] Centraal Bureau voor Genealogie, Familieadvertenties, Den Haag - 2009.

[31] Centraal Bureau voor Genealogie, Familieadvertenties, Den Haag - 2009.

[32] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonskaart Henriëtte Laure Marie Louise Hombach, Den Haag - 2009.

[33]www.archieven.nl > Nederlands Adelsboek 78(1987).

[34] Deze paragraaf is grotendeels ontleend aan: Brand, J. - : De familie Hombach, Jaarboek Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’ 14(1995): 1(4-10). Hier en daar zijn persoonsgegevens, zoals namen en geboorte- en overlijdensgegevens aangevuld en verbeterd.

[35]www.kapellen.be > over Kapellen > geschiedenis.

[36] Vlissingsche Courant, 18 december 1924, pg 2 (http://zoeken.krantenbankzeeland.nl).

[37] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonskaart van Alphonse André Charles Marie Hombach, Den Haag - 2009.

[38] Centraal Bureau voor Genealogie, geen persoonskaart van Johanna Schuurman, Den Haag - 2009.

[39] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonskaart van Leonardus Franciscus Josephus van Mierlo, Den Haag - 2009.

[40] Maria van Mierlo was gehuwd (Delft, 17 juli 1957) met Rijk Philippus Weerensteijn (*Utrecht, 27 augustus 1921 - †Delft, 1 februari 1983) (Centraal Bureau voor Genealogie, persoonslijst Maria van Mierlo, Den Haag - 2009.

[41] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonskaart Leonie van Mierlo, Den Haag - 2009.

[42] Centraal Bureau voor Genealogie, geen gegeven; leeft waarschijnlijk nog, Den Haag - 2009.

[43] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonskaart A.A.C.M. Hombach, Den Haag - 2009.

[44] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonslijst Maria van Mierlo, Den Haag - 2009.

[45] Brand, J. - : De familie Hombach, Jaarboek 1995, Oudheidkundige Kring ‘De Vier Ambachten’- Hulst, 14 (1995): 1 (4-10).

[46] Kuipers, Jan J.B. - : Fascinatie voor de stad. Honoré Rottier en de ‘totale stedelijke omgeving’, Zeeuws Tijdschrift 56(2006): 3-4 (3-6).

[47] Het Houtenkwartier in Hulst dankt zijn naam aan het feit, dat in deze omgeving van de binnen stad veel opgaand hout stond, zoals in de tuin van Hombach en op het ’s-Gravenhofplein (www.gemhulst.nl).

[48] Vlaams voor veldwachter, jachtopziener.

[49] Rottier, Honoré C.E.M. - : persoonlijke mededelingen, Sint Jansteen - december 2009.

[50] Vlissingse Courant, 30 oktober 1899, pg 5.

[51] Goessche Courant, 8 juni 1886, pg 3; Goessche Courant, 17 juli 1888, pg 4; Goessche Courant, 22 juni 1893, pg 4; Goessche Courant, 20 april 1899, pg 4; Goessche Courant, 8 juli 1899, pg 2.

[52]Goessche Courant, 11 november 1911, pg 2; Goessche Courant, 8 november 1913, pg 3.

[53]Goessche Courant, 11 november 1911, pg 2

[54] Goessche Courant, 13 augustus 1898, pg 3.

[55] Goessche Courant, 1 oktober 1889, pg 3.

[56] Zierikzeesche Nieuwsbode, 9 juni 1903, pg 5.

[57] De Graaf van Aldenburg Bentinck behoorde tot één van de oudste en meest eerbiedwaardige adellijke geslachten van Nederland en woonde het grootste deel van zijn leven op Kasteel Amerongen van de hoge heerlijkheid Amerongen, dat hij op 21-jarige leeftijd uit overerving had verkregen van zijn kinderloos overleden tante Elisabeth Villiers-Van Reede. Na de Eerste Wereldoorlog in 1918 bood hij op grond van zijn riddergelofte de gevluchte Duitse Keizer Wilhelm onderdak, voordat deze twee jaar later naar Doorn verhuisde. Graaf van Aldenburg Bentinck was een verre nazaat van Karel de Grote (www.peterlensink.nl).

[58] Het Utrechts Archief, Archief van het huis Amerongen 1405-1979, toegangsnummer 1001, beheer over de Bylandtse goederen.

[59] De familie Völcker van Soelen bezat rond de vorige eeuwwisseling het kasteel Soelen in Zoelen in de Betuwe bij Tiel en het Huis De Voorst in Eefde tussen Lochem en Zutphen. Zij hebben dit laatste kasteel met twee uitgebreide restauraties in 1875 rn 1909 in oude luister hersteld. De familie bezat ook een groot herenhuis in Den Haag aan de Koninginnegracht 31, waarin nu de Oostenrijkse ambassade zich bevindt. Het werd met kasteel Soelen en een enorm vermogen in 1845 geërfd van hun kinderloze oom Johan Gijsbert Verstolk van Soelen.

[60] Bastiaanse, René - :Brabantse Wal Zuid, Omroep Brabant, De Wandeling, aflevering 35 (17 juni 2008).

[61] Goessche Courant, 8 juli 1899, pg 2.

[62] Goessche Courant, 20 april 1899, pg 4.

[63] Goessche Courant, 6 september 1919, pg 4.

[64] Het predicaat Koninklijke werd aan de Nederlandsche Automobiel Club bij Koninklijk Besluit van 2 september 1913, no 46 verleend (Alkemade, Fons - : 100 Jaar KNAC. Clubtocht door een eeuw heen, Utrecht -1998, pg 27).

[65] Vlissingse Courant, 27 april 1910, pg 2.

[66] Noord Bevelandse Nieuws- en Advertentieblad, 14 juni 1906, pg 4

[67] Zierikzeesche Nieuwsbode, 22 mei 1911, pg 2; Vlissingse Courant, 22 mei 1911, pg 7.

[68]www.autosnelwegen.nl > A58 (KP Markiezaat-KP De Poel).

[69] Goessche Courant, 11 juli 1914, pg 2.

[70] Goessche Courant, 14 december 1915, pg 2.

[71] Goessche Courant, 9 november 1895, pg 1.

[72] Vlissingse Courant, 20 november 1909, pg 2.

[73] Zierikzeesche Nieuwsbode, 17 juli 1900, pg 2.

[74] Goessche Courant, 10 november 1900, pg 3.

[75] Vlissingse Courant, 17 juli 1914, pg 1.

[76] Vlissingse Courant, 24 november 1906, pg 2.

[77] Goessche Courant, 17 juli 1897, pg 3.

[78] Vlissingse Courant, 10 november 1900, pg 3.

[79] Vlissingse Courant, 18 juli 1914, pg 5.

[80] Vlissingse Courant, 16 juni 1917, pg 3.

[81] Goessche Courant, 24 juni 1919, pg 2.

[82] Wikipedia

[83] Goessche Courant, 8 juni 1886, pg 3; Goessche Courant, 17 juli 1888, pg 4.

[84] Goessche Courant, 9 april 1895, pg 3.

[85] Goessche Courant, 15 mei 1906, pg 4; Goessche Courant, 27 juli 1915, pg 4.

[86] Goessche Courant, 12 oktober 1907, pg 3.

[87] Goessche Courant, 18 januari 1917.

[88] Goessche Courant, 9 november 1916, pg 2.

[89] Zierikzeesche Nieuwsbode, 16 juli 1892, pg 3.

[90] Zierikzeesche Nieuwsbode, 6 maart 1902, pg 2.

[91] Zierikzeesche Nieuwsbode, 22 december 1908, pg 5.

[92] Goessche Courant, 14 juli 1910, pg 4.

[93] Goessche Courant, 17 juli 1897, pg 4.

[94] Vlissingsche Courant, 9 juni 1922, pg 1.

[95]Waldeck, Hans - : De provinciale Zeeuwse Z-nummerbewijzen van 1900 tot 1906. De victorie van het automobilisme in Zeeland begon in Hulst, Conam Bulletin 20(2010): 2(5-14).

[96] Zierikzeesche Nieuwsbode, 17 juli 1900, pg 2.

[97] Bij Koninklijk Besluit van 2 september 1913, no. 46.

[98] Lugard, B. Evert - : Gedenkboek van het 25-jarig bestaan der Koninklijke Nederlandsche Automobiel Club 1908 – 3 juli – 1923, Haarlem – 1923, pg 208 t/m 211 en Alkemade, Fons - : 100 Jaar KNAC. Clubtocht door een eeuw heen, (Conam-reeks, no. 5), Utrecht – 1998, pg 215 t/m 218.

[99] Alkemade, Fons - : 100 Jaar KNAC. Clubtocht door een eeuw heen, (Conam-reeks, no. 5), Utrecht – 1998, pg 137-141.

[100] Alkemade, Fons - : 100 Jaar KNAC. Clubtocht door een eeuw heen, (Conam-reeks, no. 5), Utrecht – 1998, pg 25.

[101] Alkemade, Fons - : 100 Jaar KNAC. Clubtocht door een eeuw heen, (Conam-reeks, no. 5), Utrecht – 1998, pg 25 en 125-128.

[102] Goessche Courant, 1 oktober 1891, pg 3.

[103] Goessche Courant, 16 juni 1900, pg 1; Goessche Courant, 11 februari 1911, pg 1.

[104] Goessche Courant,1 december 1888, pg 2; Waldeck, P.W. - : Waldeck (Immenhausen), Nederland’s Patriciaat 68(1984), pg 387.

[105] Goessche Courant, 16 november 1911, pg 2.

[106] Goessche Courant, 13 mei 1879, pg 2.

[107] Vlissingse Courant, 6 februari 1906, pg 2; Zierikzeesche Nieuwsbode, 6 februari 1909, pg 6.

[108] Goessche Courant, 30 november 1899, pg 2.

[109] Brand, P.J. - : De geschiedenis van Hulst, Hulst - 1972, pg 471.

[110] Zierikzeesche Nieuwsbode, 9 juni 1903, pg 5.

[111] Zierikzeesche Nieuwsbode, 9 augustus 1888, pg 1.

[112] Goessche Courant, 11 februari 1888, pg 3.

[113] Zierikzeesche Nieuwsbode, 11 mei 1895, pg 5.

[114] Goessche Courant, 18 juli 1896, pg 1.

[115] Goessche Courant, 7 november 1896, pg 2.

[116] Goessche Courant, 15 juli 1899, pg 3.

[117] Vlissingse Courant, 14 oktober 1905, pg 2.

[118] Vlissingse Courant, 17 maart 1899, 2.

[119] Zierikzeesche Nieuwsbode, 8 maart 1898, pg 2.

[120] Zierikzeesche Nieuwsbode, 20 juli 1901, pg 2.

[121] Zierikzeesche Nieuwsbode, 18 februari 1908, pg 3.

[122] Vlissingse Courant, 24 augustus 1906, pg 2.

[123] www.inghist.nl

[124] Goessche Courant, 9 maart 1918, pg 5.

[125] De vader van Joost van Vollenhoven was een bekende Rotterdamse houthandelaar. Joost was gehuwd met een dochter van de voorname Rotterdamse familie Rochussen: Maria Louisa. Hij was tot 1918 lid van de Tweede Kamer voor de Bond van Vrije Liberalen. Daarna directeur en waarnemend president van De Nederlandsche Bank. Hij had vele gewichtige functies en nevenfuncties en werd daarvoor begiftigd dan wel bevorderd met een drietal Koninklijke onderscheidingen. Hij had oog voor sociale belangen van zijn werknemers, waarvoor hij waterleidingen aanlegde en een recreatieoord stichtte. Hij was medeoprichter van het Genootschap Nederland-Engeland (www.parlement.com).

[126] Jhr Mr Eduard August Otto de Casembroot was een telg uit een bekende Zeeuwse adellijke familie met sterke banden met de provinciale en landelijke politiek en het Koninklijk Huis. Hij was vele jaren lid van Provinciale Staten van Zeeland en vanaf 1895 lid van Gedeputeerde Staten van Zeeland. Niet te verwarren met de gelijknamige luitenant-generaal en voormalig minister van oorlog (*Oud-Vossemeer, 20 juni 1812 - †’s-Gravenhage, 23 september 1883) (www.cbg.nl)

[127] Goessche Courant, 8 april 1920, pg 1.

[128] www.nederlandengeland.nl

[129] Goessche Courant, 2 september 1909, pg 2.

[130] Bos, Ariejan -, Hans van Groningen, Gijs Mom (red) en Vincent van der Vinne: Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw geleden, Deventer – 1996, pg 85.

[131] Bos, Ariejan -, Hans van Groningen, Gijs Mom (red) en Vincent van der Vinne: Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw geleden, Deventer – 1996, pg 27 ev.

[132]Voor een volledig overzicht van de afgegeven rijksnummerbewijzen aan Nederlanders en buitenlanders tussen 1898 en 1906 verwijzen we u naar de website van de Conam: www.conam.info en dan naar kentekens.

[133] Bos, Ariejan -, Hans van Groningen, Gijs Mom (red) en Vincent van der Vinne: Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw geleden, Deventer – 1996, pg 32.

[134]www.conam.info > kentekens > rijksnummerbewijzen.

[135] Kupelian, Yvette & Jacques - : De geschiedenis van de Belgische auto. Het fabelachtige verhaal van meer dan honderd automobielmerken, Amsterdam – 1980, pg 125-128.

[136] Georgano, Nick - : The Beaulieu Encyclopaedia of the Automobile, Volume 2 (M-Z), London - 2000, pg 1684.

[137] Vogels, F. - : Lijst van nummerbewijzen voor motorrijtuigen uitgereikt in de jaren 1906-1920 bijgewerkt tot 1 november 1920, Den Haag – 1920.

[138] Bos, Ariejan -, Hans van Groningen, Gijs Mom (red) en Vincent van der Vinne: Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw geleden, Deventer – 1996, pg 30.

[139]Collectie Nederlands Automobiel Archief (K.J.J. Waldeck), waarin ondergebracht de cartotheek van J. van Groningen.

[140]Archief J. van Groningen, ondergebracht in het Nederlands Automobiel Archief (K.J.J. Waldeck).

[141]Voor een volledig overzicht van de afgegeven beschikkingen voor Zeeuwse nummerbewijzen tussen 1900 en 1906 verwijzen we u naar de website van de Conam: www.conam.info en dan naar kentekens.

[142] Het Reglement op de wegen en paden in Zeeland werd voor het eerst vastgesteld op 19 november 1886 en gewijzigd bij besluit van 6 juli 1894, 12 juli 1895 en nog eens op 14 juli 1898.

[143] Archief van het Provinciaal Bestuur van Zeeland 1851-1910 (toegang 6.2), Provinciaal Zeeuws Archief (Hans Schwartz), Middelburg.

[144]In dit artikel werden de schrijfwijze van de namen van personen en plaatsen ongewijzigd overgenomen van de schrijfwijze, zoals voorkomend op de vergunningen. In die schrijfwijzen zijn ongetwijfeld al verschrijvingen voorgekomen. In de huidige tijd zullen diverse van deze namen ook anders gespeld worden, met name die in België, zoals bijvoorbeeld Wijneghem (nu Wijnegem) en Temsche (nu: Temse).

[145] Zierikzeesche Nieuwsbode, Berijden van wegen met een motorrijtuig, 56(1900): 7334 (1), 16 januari 1900.

[146]www.conam.info > kentekens > Zeeuwse nummers.

[147] Alexis Vivinus kreeg voor deze automobiel op 1 oktober 1903 ook het rijksnummerbewijs 1075 en Graaf Jacques de Liederkerke kreeg op dezelfde datum 1903.

[148] Waldeck, Hans - : De Z 203. Een F.N. als ‘auto-van-de-zaak’ in Zeeuws-Vlaanderen?, Kroniek 2009, nr. 42 van de Stichting Heemkundige Kring Sas van Gent, pg 14-19; ook gepubliceerd in Conam Bulletin 19(2009): 4 (27-33).

[149] De Pipe was één van de vele Belgische automerken in het begin van de twintigste eeuw uit de in 1898 opgerichte fabriek van de Compagnie Belge de Construction Automobiles in Brussel, die in 1903 als SA Usine Pipe tot 1922 voortging in Anderlecht (Georgano, Nick - : The Beaulieu Encyclopaedia of the Automobile, Volume 2 (M-Z), London - 2000, pg 1234-1235).

[150] De Ateliers H.P. Déchamps (in 1900 de SA des Moteurs et Automobiles Déchamps) was een kleine autofabrikant in Brussel. die in 1903 in Britse handen kwam en als naam in 1904 alweer verdween (Georgano, Nick - : The Beaulieu Encyclopaedia of the Automobile, Volume 1 (A-L), London - 2000, pg 396).

[151] De Société des Moteurs Gobron-Brillié was een redelijk succesvolle Franse autofabrikant, die na de Eerste Wereldoorlog na het vertrek van de ingenieur Brillié tot 1930 doorging met de bouw van Gobrons (Georgano, Nick - : The Beaulieu Encyclopaedia of the Automobile, Volume 1 (A-L), London - 2000, pg 633-634).

[152] Goessche Courant: Automobielongeluk, 6 juli 1907, pg 2.

[153] Een tonneau-carrosserie heeft een toegangsdeur voor de achterpassagiers aan de achterzijde van het (motor)rijtuig.

[154]www.conam.info > kentekens > rijksnummerbewijzen.

[155] Bos, Ariejan -, Hans van Groningen, Gijs Mom (red) en Vincent van der Vinne: Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw geleden, Deventer – 1996, pg 32 ev. Zie ook: www.conam.info > kentekens (Contactgroep Automobiel- en Motorrijwielhistorie).

[156] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1851-1910, Archief van - , toegang 6.2, inv.nr 3566, agendanr 1052 (Hans Schwartz).

[157] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1851-1910, Archief van - , toegang 6.2, inv.nr 3664, agendanr 205 (Hans Schwartz).

[158] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1851-1910, Archief van - , toegang 6.2, inv.nr 3769, agendanr 256 (Hans Schwartz).

[159] Panhard-Levassor was een beroemd Frans automerk, dat in 1890 in Parijs begon met de seriematige bouw van automobielen en dat ondanks de overname in 1955 door Citroën tot 1967 volhield (Georgano, Nick - : The Beaulieu Encyclopaedia of the Automobile, Volume 2 (M-Z), London - 2000, pg 1181-1190).

[160] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1911-1939, Archief van - , toegang 6.3, inv.nr 4391, agendanr 911 (Hans Schwartz).

[161] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1911-1939, Archief van - , toegang 6.3, inv.nr 4595, agendanr 924 (Hans Schwartz).

[162] Zeeuws Archief, Provinciaal Bestuur van Zeeland 1911-1939, Archief van - , toegang 6.3, inv.nr 4595, agendanr 1051 (Hans Schwartz).

[163] Zeeuws Archief, Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, Zeelandia Illustrata III, historie en leven (www.zeeuwsarchief.nl).

[164] Parreren, G. van – en J.H.C. Sieverts: 50 Jaar Regenboog, uitgegeven door de Regenboogclub ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Regenboogklasse - 1967.

[165]Koninklijke Zeil- en Roeivereniging: Jaarboek 1918, Amsterdam - 1918.

[166] www.regenboogclub.nl.

[167] Dijk, H. van - : persoonlijke mededeling, Bolsward - 2009.

[168] Koninklijke Zeil- en Roeivereniging: Jaarboek 1918, Amsterdam – 1918, pg 232-233.

[169]Kadaster Scheepsregister: afschrift van eigendomsakte, Rotterdam - 2010.

[170] Alkemade, Fons - : 100 Jaar KNAC. Clubtocht door de eeuwen heen, Utrecht - 1998, pg 215.

[171] Goessche Courant, 6 september 1919, pg 4 (http://zoeken.krantenbankzeeland.nl).

[172] Plomteux, G. - , R. Steyaert en L. Wylleman: Inventaris van het cultuurbezit in België, Architectuur, Provincie Antwerpen, Arrondissement Antwerpen, Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen 10N2 (Ho-Ra), Brussel/Gent – 1985 (http://inventaris.vioe.be).

[173] Volksblad, 1 november 1920, pg 2

[174]Nederlandsche Staatscourant, 24 maart 1921, no. 59 (Zeeuws Archief-2009).

[175]Wijziging inschrijving Kamer van Koophandel en Fabrieken te Neuzen, 20 mei 1921/9 juli 1921, Dossier no. 552, Akteletter (Zeeuws Archief-2009); www.cbg.nl>familieadvertenties Kuijpers.

[176]Wijziging inschrijving Kamer van Koophandel en Fabrieken te Neuzen, 13 februari 1924/28 februari 1924, Dossier no. 552, Akteletter C (Zeeuws Archief-2009).

[177]Nederlandsche Staatscourant, 27 augustus 1925, no. 166 (Zeeuws Archief-2009).

[178]Wijziging inschrijving KvK en Fabrieken te Neuzen, September 1925/8 oktober 1925, Dossier no. 552, Akteletter D (Zeeuws Archief-2009).

[179]Wijziging inschrijving KvK en Fabrieken te Neuzen, 6 december 1926/15 december 1926, Dossier no. 552, Akteletter F (Zeeuws Archief-2009).

[180] Asfaltbeton was een ‘innig mengsel van asfalt met neutraal poeder of gruis, gaande door zeef no. 10 en groven toeslag van neutraal karakter, liggen blijvende op zeef no. 10; Siligeenbeton was een ‘buitenlandse uitvinding, dienende als deklaag op een of andere vaste fundeering. Ze is 8 cm dik en bestaat uit porfiersteenslag van 1-3 cm, gevuld met een cementmortel van zeer bijzondere samenstelling en met luchtdruksrampers ineengestampt. Er werden dwarsvoegen gemaakt op afstanden van vijf maal de wegbreedte. Ook genaamd Soliditit.’ (in Kerkhof, B.J. - : Wegenbouw. Handboek voor practijk en studie betreffende het ontwerpen, aanleggen en onderhouden van de verschillende soorten van wegen, Amsterdam – 2de druk 1926, pg 38, 161 en 258).

[181]Wijziging inschrijving KvK en Fabrieken te Neuzen, 23 augustus 1927/26 augustus 1927, Dossier no. 552, Akteletter G (Zeeuws Archief-2009).

[182]Wijziging inschrijving KvK en Fabrieken te Neuzen, 17 september 1927/26 september 1927, Dossier no. 552, Akteletter J (Zeeuws Archief-2009).

[183]Wijziging inschrijving KvK en Fabrieken te Neuzen, 6 mei 1929/22 mei 1927, Dossier no. 552, Akteletter K (Zeeuws Archief-2009).

[184]Wijziging inschrijving KvK en Fabrieken te Neuzen, 23 juni 1929/25 juni 1929, Dossier no. 552, Akteletter L (Zeeuws Archief-2009).

[185]Verzamelformulier Kamer van Koophandel en Fabrieken Ter Neuzen, 19 september 1931, Dossier no. 552, Akteletter M (Zeeuws Archief-2009); Vlissingse Courant, 20 augustus 1931, pg 2 (http://zoeken.krantenbankzeeland.nl).

[186] Schwartz, Hans - : persoonlijke mededelingen, Zeeuws Archief, 7 september 2009.

[187]Kamer van Koophandel en Fabrieken Zeeland, kantoor Terneuzen, 4 september 1950, Dossier no. 552, Akteletter N (Zeeuws Archief-2009).

[188] Centraal Bureau voor Genealogie, persoonskaart F.C.O.M. Hombach, Den Haag - 2009.

Copyright © Conam 2010-2017

All Rights Reserved.